Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Raad, dat de Koning niet bevoegd was om besluiten van Gedeputeerde Staten in geschillen van bestuur, waarover hun krachtens bijzondere wetten de uitspraak opgedragen ware, te vernietigen.

Ik verzoek den geachten spreker uit Deventer, den heer van Delden, die dat gevoelen voorstond, dat hij, en wensch ook dat de Hooge Raad niet kwalijk neme, wanneer ik als mijn gevoelen te kennen geef, dat die meening op een groot misverstand berust. De Grondwet kent onvoorwaardelijk aan den Koning het recht toe om besluiten van de Staten, strijdig met de wet of het algemeen belang, te vernietigen; en nu kan bij eene bijzondere wet de rechtsgang voorgeschreven zijn die gevolgd moet worden eer men tot die vernietiging kome, maar het recht van vernietiging kan door geene wet worden ontnomen. De grond is duidelijk. Buiten het gebied van de rechterlijke macht moet tegen iedere administratieve beslissing recht kunnen gezocht worden bij den Koning. De Koning is in de hoogste plaats de beschermer van de wet en van het algemeen belang, en voor elk beroep op grond van de wet en het algemeen belang, buiten liet gebied van de rechterlijke macht, moet de Koning toegankelijk zijn en blijven.

Daarmede in verband is het, dunkt mij, niet aannemelijk, dat aan den Minister van Financien de „bevoegdheid" om van de uitspraak van een ondergeschikt administratief college in beroep te komen, worde toegekend. Mijns inziens, op grond van hetgeen ik zooeven zeide, moet er van elke administratieve beslissing beroep openstaan aan den Koning, beroep van den belanghebbende, beroep ambtshalve. Volgens het gemeene recht, wanneer de belanghebbende in beroep komt bij den Koning, wordt de zaak krachtens de wet van 18(31 onderworpen aan den Raad van State; ambtshalve wordt dat beroep van Gedeputeerde Staten ingesteld door den Commissaris des Konings. Waarom niet denzelfden weg gevolgd, waarom ook niet in belastingzaken, gelijk in die van militie, den Commissaris des Konings aangewezen V Bij die aanwijzing zou men, desnoods, kunnen voegen, „van wege den Minister van Financien," maar ik zou die bijvoeging onnoodig achten.

Moest het artikel zoo blijven als het nu is, dan zou ik mij noch daarmede noch met de wet kunnen vereenijren.

Antwoord aan den heer van Keenen en den minister van binnenlandsche zaken.

Aard van een geschil tusschen het bestuur, belastingheffer, en den belastingplichtige.

De heer van Reenen vroeg: „moeten deze geschillen niet aan den gewonen rechter worden onderworpen V"

Wanneer men dat beweert, belijdt men een stelsel. Maar dan moet ook de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten in geschillen van bestuur verdwijnen, dan moet de rechterlijke macht ook in eersten aanleg recht spreken.

De geachte spreker, die aanraadt de cassatie in deze geschillen

Sluiten