Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZITTING 1870-1871.

19 December. Interpellatie van den heer Kerstens over het petitionnement betreffende de pauselijke aangelegenheden.

De gebeurtenissen in Italië hadden onze katholieke landgenooten zeer aangegrepen. Zij verlangden, dat onze regeering in het belang van den heiligen stoel hare tusschenkomst zoude verleenen, en hadden hunne wenschen bij een Adres aan den koning kenbaar gemaakt. Ook de heer Kerstens wilde, dat de nederlandsche regeering het herstel der souvereiniteit van den paus over den kerkelijken staat zoude bevorderen. Daarop stelde de heer Fransen van de Putte voor: „De kamer, van oordeel zijnde dat de roeping van den nederlandschen staat niet is, stappen te doen tot herstel van het wereldlijk gezag van den paus over den kerkelijken staat, gaat over tot de orde van den dag."

Ik zeg in twee woorden, waarom ik tegen de motie van den heer van de Putte zal stemmen. Zij strekt om een algemeen voorschrift, een voorschrift van diplomatie aan de Regeering te geven. Ik meen, zonder in dit opzicht onderscheid tusschen een interimair en een definitief Ministerie te maken, dat onze roeping niet is in eene zaak, waarin de Regeering nog niet gehandeld heeft, haar een regel te stellen.

De heer van de Putte zeide laatstelijk, dat zijne motie niet anders was dan eene omzetting van den term van het verzoekschrift der Katholieken. Doch de termen staan niet gelijk. Het laatste is een adres van particulieren die iets aan den Koning verzoeken, de motie een oordeel, door de Tweede Kamer, omtrent hetgeen de Regeering zou moeten doen of niet doen, te openbaren. Dit is van gansch anderen aard en heeft eene geheel andere beteekenis.

Nadat de regeering verklaard had, hare tusschenkomst tot herstel van den paus in het bezit van den kerkelijken staat niet te kunnen verleenen, stelde de heer Cremers voor: „De kamer, hare goedkeuring hechtende aan de houding der regeering, gaat over tot de orde van den dag."

De laatste spreker, de heer Heemskerk, ziet geen verschil tusschen de motie van den lieer van de Putte en die van den heer Cremers. Ik zal mij tegen de eerste, maar voor de laatste verklaren; en

16*

Sluiten