Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te voorzien; de twee laatste evenwel waarschijnlijk niet zoo tijdig, dat zij nog in behandeling zullen kunnen komen.

Men stelt zich gemeenlijk méér voor dan men volbrengt; mogen wij, Gouvernement en Kamer, zoo gelukkig zijn, nu eens het omgekeerde te zien gebeuren.

Ten slotte ontvange de Kanier eene persoonlijke betuiging van twee oud-soldaten van uw kamp. De Minister van Financien en ik hebben in de verwisseling van onze zetels in uw midden met moeite toegegeven; de Kamer vergunne ons de hoop te voeden dat de welwillendheid, die wij op de banken ondervonden, ons ook hier aan de tafel bijblijve.

20 Maart. Interpellatie van den heer Insinger over den oosterspoorweg. Een ontwerp van wet betreffende dien spoorweg was door het vorig ministerie bij de kamer aanhangig gemaakt. Het voorloopig verslag, nog onder het vorig kabinet uitgebracht, bleef onbeantwoord. De heer Insinger vroeg, hoe de tegenwoordige regeering over het ontwerp dacht. Daarop had de minister van oorlog medegedeeld, dat, daar „er geen project meer nadeelig voor de defensie was, dan de ontworpen lijn," eene correspondentie met de concessionarissen begonnen was.

De geëerde interpellant verlevendigt eene mij aangename herinnering, die van ons gemeenschappelijk rapporteurschap over dit gewichtig onderwerp. Het betrof een onderzoek waaraan ik met te meer belangstelling deelnam, daar ik reeds vóór jaren mij veel moeite had gegeven om eene verbinding van de boofstad met het oosten tot stand te brengen. De Kamer herinnert zich, althans zullen de oudere leden zich herinneren, dat in 1805 een ontwerp van wet tot dat einde is voorgedragen, hetgeen zonder gevolg is gebleven buiten schuld der Regeering en buiten schuld der wetgevende macht. Voor het overige heb ik weinig te zeggen na hetgeen de Minister van Oorlog aan de Kamer heeft voorgedragen. De zaak is hangende; er wordt onderhandeld over de punten die ook in het Verslag op den voorgrond stonden. Ik kan betuigen, dat de onderhandeling van beide zijden met ijver, belangstellend en welwillend wordt gevoerd; maar zij is nog niet afgeloopen.

Hierna zal in de eerste plaats de geachte interpellant en voorts de Kamer in het algemeen wel goed vinden, dat ik niet méér zeg, opdat niet van hetgeen te veel gezegd wierd partij getrokken kunne worden ten nadeele van het resultaat, dat wij allen wenschen.

De meening der llegeering is tamelijk wel gevestigd, maar de vraag is, wat zal den concessionaris aannemelijk schijnen ¥ Daarover wordt onderhandeld. De Regeering zal van haren kant doen wat zij kan toegeven, en wij hopen dat de concessionarissen in denzelfden geest zullen handelen.

Sluiten