Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik- zou, Mijnheer de President, naar de specialiteiten van den tijdgeest met de uiterste belangstelling luisteren, indien de tijdgeest niet een wat verwarde geest scheen; indien zijne specialiteiten het meer of min met elkander eens waren. Maar wij hoorden eergisteren nog den heer van Wassenaer tegen den geest van den tijd waarschuwen. De heer van Houten en anderen willen den tijdgeest op den voorgrond brengen en de oude vormen doen verdringen. Maar deden zij in hunnen tijdgeest een beginsel van Regeering zien?

Eerbied voor den geest van den tijd, voor zooveel ik daaronder de grondgedachte van den leeftijd mag verstaan. Doch wie ontdekt ons die? Hij die zoo gelukkig is, zal onze leidsman moeten zijn.

De stukken van een programma, dat men gaarne door de Regeering aangenomen zag.

In de eerste plaats de census. ,,Hetgeen de Regeering van den census gezegd heeft is geen programma." Neen, het is geen programma. Op welke voorwaarde kon het alleen een programma zijn ? Op voorwaarde, dat de Regeering verklaarde, in welken geest zij den census herzien wil. Zóóver is de Regeering nog niet. Ik heb moeten verklaren, dat ik het onderzoek voortzet. Ik denk de behandeling der gewichtige vraag in geenen deele te smoren, maar men moet mij den tijd gunnen totdat ik een voorstel zal kunnen doen. Zou nu eene discussie over het beginsel van herziening, voorafgaande aan de voordracht, ons verder leiden? Wat mij betreft, ik kan niet verder gaan dan mijne verklaring ging.

Men dringt op herziening van den census, „omdat de volksvertegenwoordiging, die wij hebben, de behoeften van het Nederlandsche volk niet vertegenwoordigt" Mijnheer de President, ik hecht te veel aan de Grondwet, ik hecht te veel aan deze Kamer — waarvan ik mij gelukkig acht, althans nog adviseerend lid gebleven te zijn, — ik hecht te veel aan deze Kamer om tegen dergelijke bewering niet een zeer ernstig protest aan te teekenen. Zij, die dat beweren, willen — het is duidelijk gebleken — iets anders dan hetgeen de Grondwet wil. Mij vergunne men, aan de Grondwet, zoolang zij bestaat, hoe oud zij ook zij, vast te houden. De Grondwet wil een census als teeken van bekwaamheid, en wil den census geregeld naar de plaatselijke gesteldheid. Maar wanneer ik door den heer van Lynden hoor zeggen: „eene doeltreffende herziening van den census kan niet worden verkregen zonder herziening deiGrondwet"; wanneer ik den heer van Wassenaer hoor zeggen: „het volk moet kiezen, opdat alle belangen worden vertegenwoordigd," wanneer ik hem en den heer van Houten hoor zeggen: „de macht van het geld, geldaristokratie is volgens de Grondwet beginsel van het kiesrecht"; dan is, dunkt mij, maar ééne bevrediging mogelijk: het algemeene stemrecht.

Ik zeg daarvan op dit oogenblik niet meer: ik zou mij laten trekken op een terrein waarop ik niet zijn wil, waarop ik niet zijn mag; ik zou in een programma van beginselen treden.

Sluiten