Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een ander stuk van het gewenschte programma betreft het volksonderwijs. Men heeft het rapport over de grondwetsherziening van 1848 aangehaald. Eene zinsnede, die er niet in voorkwam, is later in de Grondwet opgenomen. „Er wordt van overheidswege alom voldoend lager onderwijs gegeven." De heer Thorbecke, zeide men tot zijn lof, is de iuan die tegen het opnemen van die treurige zinsnede gewaakt heeft. Doch er is, zeide men verder, een tweede lieer Thorbecke. Mijnheer de President, ieder wil gaarne één zijn, en niet een tweede ik nevens zich zien, over wien hij niet meester is. De geachte spreker, die dat beweerde, de heer van Wassenaer, heeft in 1860 eene motie — ik heb ze niet nagelezen, maar zoo ik mij wel herinner eene zeer algemeene motie — voorgesteld, hierop nederkomende dat de wet van 1857 in sommige opzichten de vrijheid van onderwijs belemmert. Tegen die motie heeft zich de lieer Thorbecke verklaard en dus de loftuiging verbeurd, die hij door het rapport van Grondwetsherziening in de oogen van den geachten spreker verworven had. Is er tusschen het een en ander wel verband? Kan ik in 186!) de motie niet afgestemd hebben omdat zij onbepaald was? Indien de geachte spreker had kunnen goedvinden, overtuigend aan te toonen op welke punten de wet de vrijheid van onderwijs belemmert, wellicht zou de heer Thorbecke ook in zijne oogen dezelfde zijn geweest, dien hij bij het rapport vau 1848 ontmoet heeft.

De heer van Lynden, zich beroepende op eene zinsnede in de Memorie van Beantwoording, vraagt: kan herziening van de onderwijswet van de Regeering worden verwacht? Ik kan niet verder gaan dan ik in de Memorie van Beantwoording ging. Ik verklaar mij opnieuw bereid de hand te bieden tot iedere wezenlijke verbetering, maar de behoefte dier verbetering moet mij overtuigend worden aangetoond. En dit verwacht ik van den geachten spreker; dit zou ik verwachten van den geachten spreker, indien ik van hem niet deze uitspraak gehoord had: „de militaire duitsche kracht — hij noemde geloof ik Sadowa — is op het onderwijs gegrond." Is dat het onderwijs, dat gij verlangt, waarvoor gij herziening der wet van 1857 begeert?

Een ander geacht spreker, geestverwant van den redenaar dien ik de eer had zooeven te noemen, vraagt „gewetensvrijheid in zake van godsdienst en onderwijs," Bestaat die bij ons niet? De geachte spreker, het is de heer Bichon, wil „den voortgang vau ongeloof en revolutie gekeerd hebben." Hij wil de waarheden, die hij eeuwige waarheden noemt, aangenomen zien. Anderen zijn niet minder dan hij, en onder die anderen tel ik mij, aan de eeuwige waarheden, waarop hij doelt, gehecht; maar ik onderwerp aan den geachten spreker de vraag: Wat kan de overheid daarbij doen? VVilt gij dat de overheid die eeuwige waarheden leere? Geschiedde dit, dan zoudt gij gelijk kunnen hebben, over gemis aan gewetensvrijheid te klagen. Het zou leiden tot eene theokratie van het Oude Testament, welke de geachte spreker denkelijk niet terug

Sluiten