Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuk V der oorspronkelijke voordracht van begrooting voor 1871: „Het hooge eindcijfer dier begrooting maakte een pijnlijken indruk. Men kon de aanmerking niet terughouden dat bij het opmaken der ramingen, het beginsel van zelfbeperking weinig in het oog gehouden is; een beginsel dat bij den tegenwoordigen toestand van 's lands financiën meer dan ooit tot richtsnoer had moeten strekken. De Minister had zich genoopt moeten zien tot niet verplichte uitgaven de strengste spaarzaamheid in acht te nemen en alles af te snijden wat niet als onvermijdelijk te beschouwen ware. Enkelen slechts deden gelden, dat men, in het wezenlijk belang des lands, waar het openbare werken of de aanmoediging daarvan geldt, niet al te karig moet zijn." Onder die enkelen bevond zich mijn oude vriend van Eek.

Is het niet grondregel van een verstandig Gouvernement en van eene verstandige Vertegenwoordiging, dat men, wanneer tijdelijk voor een bepaald belang buitengewone offers moeten worden gebracht, — wanneer men, om die te kunnen brengen, naar eene vermeerdering van middelen moet omzien boven die waarover men tot dusverre beschikte, late voorgaan hetgeen voor het oogenblik den voorrang heeft? Ligt het niet in den natuurlijken loop deidingen, bij het besteden van stoffelijke middelen, gelijk bij inspanning van moreele kracht, dat één belang soms op den voorgrond trede, en andere voor eene poos doe wijken, totdat deze hunne plaats weder innemen en op hunne beurt wellicht op den voorgrond komen?

De heer van Voorthuysen vindt niet goed, dat het Ministerie de noodzakelijkheid om voor onze defensie meer te doen dan tot dusverre gedaan was, uit de gebeurtenissen der laatste jaren heeft afgeleid. In die gebeurtenissen vindt de geachte spreker dergelijken drang niet. De geachte spreker, anders, maar toch meer of min in gelijken geest, dan de heer van Houten, acht, wanneer men aan gevaar van buiten denkt, dit hersenschimmig. Ik wenschte van die meening te kunnen zijn, maar ik durf de heeren van Voorthuysen en van Houten op dat terrein niet volgen. Ik ben geenszins zeker, dat men elders, in een of ander Land, over het belang om onze zelfstandigheid te bedreigen, van ons advies zal zijn, of de zaak zal inzien gelijk wij ons die wellicht voorstellen. Wij vormen ook geen Engelsch parlement om dergelijke vragen te beantwoorden, gelijk zij daar kunnen behandeld worden. Niet nu eerst, straks na 18(36, oordeelde ik het mijn plicht te verklaren, dat ik steeds voorstander van eene krachtige defensie, schoon niet van hooge oorlogsuitgaven, thans op dit punt van andere gedachten was en meende, dat wij daaraan méér, dan tot dusver, moesten besteden.

En is dit niet, al ziet men met de heeren van Voorthuysen en van Houten in de politiek geen gevaar, blijkbaar uit de gebeurtenissen? Heeft dan niet de jongste oorlog, gelijk die van 1866, alle berekeningen te-leur gesteld? Heeft hij niet in de militaire organisatie van onzen en andere Staten, Belgie, Engeland, zoovele >rebreken en leemten doen ontdekken, dat de eischen van verdedTg-

Sluiten