Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet zijn niet weinigen — die getuigenis geven kan: of degeen, ilie de eer had dat Kabinet voor te dragen, ooit eenige aanleiding heeft gegeven en niet veeleer iedere aanleiding heeft vermijd oni hetzij gezag te doen gevoelen, hetzij de verantwoordelijkheid van dat Ministerie te deelen.

De coalitie van den heer van Lynden. Had ik kunnen voorzien, dat mijne ééne zinsnede over die coalitie op hem den indruk zou maken, dien wij nu ontwaard hebben, ik zou waarschijnlijk het punt hebben laten rusten.

De heer van Lynden toont zich gevoelig, schoon het mijne meening hoegenaamd niet was zijne gevoeligheid op te wekken. Die hooge gevoeligheid is gebleken uit zijne uitvoerigheid — degeen, die gelijk heeft, is kort, — uit de recriminatiën, waarmede hij getracht heeft zich te helpen; recriminatiën zoo onjuist mogelijk tegenover hetgeen waarmede hij dreigde. De heer van Lynden had gewaagd van eene voor dit Ministerie te vreezen coalitie van vier onderscheiden partijen bij de stembus: en daartegen, of tot ondersteuning van het denkbeeld van zoodanige coalitie, haalde de geachte spreker stemmingen in deze Kamer, haalde hij het onjuiste oordeel aan van een artikel in een tijdschrift. De geachte afgevaardigde zal wel niet verlangen, dat de Minister dat onjuiste oordeel hier wederlegge. Ik heb van de coalitie gesproken als van een feit, dat de heer van Lynden buiten zich stelde, als van eene gebeurtenis die plaats kon vinden. De heer van Lynden heeft het zich aangetrokken als een persoonlijk feit, en dat is mij leed.

De heer Heemskerk neemt het den Minister kwalijk, dat hij zich hooger schijnt te stellen dan groote Engelsche staatslieden, zoo als Gladstone en Disraëli, die bij verkiezingen iedere gelegenheid waarnemen om in het publiek te spreken. Ik antwoord met mijn ouden vriend van Eek: andere zeden. De Engelsche bewindslieden bevelen zich aan de kiezers aan, en trachten die te winnen: wij hebben een ander constitutioneel geweten.

Het is licht verklaarbaar, en soms, geloof ik — men late mij eens zeggen hetgeen een lid der Vergadering zou kunnen zeggen — te rechtvaardigen, dat bij naderende verkiezingen leden der Kamer meer spreken dan zij anders zouden gedaan hebben; maar zijn voor den Minister naderende verkiezingen eene reden om meer te zeggen of te beloven, dan hij anders zou doen?

Myn oude vriend van Eek komt met ijver terug op de noodzakelijkheid om art. 56 en 57 der Grondwet te herzien. Ik doe hulde aan zijne edele bedoeling, maar de geachte afgevaardigde vergeve mij: wat hij wil schijnt mij niet wel uitvoerbaar. Ik laat daar dat, mijns inziens, de vergelijking niet opgaat tusschen de binnenlandsche constitutie van een Staat met eene algemeene, onweerstaanbare dringende geregelde macht aan het hoofd, en eene internationale samenleving, waar eene dergelijke macht óf niet te vinden ware, of zeer spoedig zou ontaarden in eene oorlogsmacht, waartegen men in oorlog zou komen. Ik laat dat daar; wanneer

Sluiten