Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwaren ernstig te toetsen, ook die welke mij, hoorende, niet gegrond voorkwamen. Ik zal alle nagaan met een gunstig vooroordeel, gunstig namelijk aan het beweren dat de wet van 18lil verbetering behoeft.

Voor het overige roer ik nu slechts een enkel punt aan, dat mij meer schijnt te passen in de cursorische discussie, waarin de Raad van State thans geworpen is, dan in een blijvend werk van herziening, eene gewichtige taak en van langen adem.

De heer van Naamen vindt het personeel te talrijk. Hij wenscht vereenvoudiging. Daar staat de groote verscheidenheid van zaken, aan den Raad onderworpen, tegenover. Niet alleen al wat hier voorkomt, maar zoo veel méér moet den weg door den Ilaad van State afleggen, en daar aangehouden worden.

Van de adviezen van den Raad van State, zegt de geachte spreker, blijkt aan de Kamer niets, alleen van die welke worden uitgebracht over geschillen van bestuur. Het is zoo; de voldoening, aan publiciteit verbonden, welke de Raad wel zou verdienen, valt hem niet te beurt. Maar kan dit? Is niet het raadplegen van dat college eene huishoudelijke zaak, eene voorbereiding van het werk der Regeering, en zijn de adviezen minder nuttig, omdat zij hier niet in de Kamer komen? De Raad van State is als adviseerend college in eene gansch andere betrekking tot den Minister dan de ministerieele ambtenaren. Dezen hebben te onderwerpen volgens de aanwijzing des Ministers; de Raad van State daarentegen werkt volkomen zelfstandig, overlegt, vraagt bescheiden, heeft geenerlei band met den Minister, heeft niets te volgen dan zijne overtuiging, de uitkomst van eigen, gezet onderzoek. Het nut van die adviezen wordt, geloof ik, eer bevorderd, doordien het advies tusschen den Raad en de regeering blijft, dan door openbaarmaking. Voor openbare adviezen is eene andere plaats. Iedereen kan in liet openbaar een advies aan de Regeering onderwerpen.

De finale beslissing, zegt de geachte spreker, blijft aan een ondergeschikt ambtenaar overgelaten. Dit kan gebeuren, gelijk in andere zaken. Maar is de geachte spreker zeker, dat de Minister zoo doet?

De Regeering zou stilzwijgend hebben erkend, dat in den Raad van State mannen van jeugdige kracht niet worden gevorderd. Dit zou blijken uit de laatste benoeming.

Maakt men bezwaar tegen de benoeming van een man van hooge jaren in een tijd, waarin mannen van hooge jaren nog al plegen geroepen te worden om zelfs aan de spits te staan? Is, waar het raadgeven betreft, ervaring onverschillig? Ik roep in ieders geheugenis de kracht en helderheid terug, waarmede de generaal van Muiken als Minister van Oorlog hier sprak. En dan zal, dat zoo iemand nog in den Raad van State kan gehoord worden, niet alleen niet berouwen, maar zal men liet als eene aanwinst voor den publieken dienst waardeeren.

Art. 13, de periodieke afwisseling. De geachte spreker, die

Sluiten