Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich de herziening van die verschillende leemten en gebreken ten allen tijde en op eenmaal voor te stellen. Ik beloof ook niets dan gaande weg onderzoek, zonder eenige bepaling van tijd, waarop het zou kunnen zijn afgeloopen.

L>e heer van der Linden komt op een hoofdpunt terug.

In zijne praktijk bij den Baad van State heeft hij, zoo als mij toeschijnt, in een enkel geval eene verkeerde toepassing of een misbruik van de zijde van een Minister gezien. Hij wil dat de wet zekerheid geve, dat zoo iets niet kunne plaats vinden. Voor zoover eenige wet volledige zekerheid zal kunnen geven dat geenerlei misbruik of verkeerdheid plaats vinde, zal ik het gaarne zien en daartoe mede werken. Doch de geachte afgevaardigde gaat den bestaanden waarborg, dien ik aanhaalde, de ministerieele verantwoordelijkheid, voorbij. Indien de onderstelling juist is welke ik zooeven maakte, waarom riep de geachte afgevaardigde dan na liever de wet tot verantwoording, dan toen den Minister?

8 Mei. Hoofdstuk V (binnenlandsche zaken) der staatsbegrooting voor 1871. Algemeene beraadslaging.

Ontheffing van het verbod tot het innen van plaatselijke accijnsen.

Mijnheer de President, de eerste geachte spreker, de heer van Kuyk, heeft de welwillendheid van den Minister ingeroepen tot toepassing van artikel 10 der wet van 7 Juli 1805, waarbij de geiueente-accijnsen zijn afgeschaft. Hij rekent op de welwillendheid van den Minister, gelijk hij ook rekent op de welwillendheid van de Gedeputeerde Staten, de natuurlijke adviseurs van den Minister alvorens een besluit genomen worde. Mag nu niet, indien nog eenige aanvulling van welwillendheid noodig ware, door den geachten spreker gerekend worden op de Kamer? De Minister kan geen verlenging voordragen dan waar, volgens de wet, naar zijn inzien verlenging noodzakelijk is. Is de geachte spreker van oordeel, dat verlenging ook nog voor andere gemeenten, dan die welke de Minister wellicht in zijne voordracht begrijpen zal, vereischt wordt, dan zal hij niet in gebreke blijven, bij amendement eene aanvulling voor te stellen. Ik weet geen anderen weg.

Volgens den spreker hebben de gemeenten recht op ontheffing van het verbod. Wordt deze uitleg door de wet gerechtvaardigd? Art. 10 zegt: „Bijzondere wetten, vóór den lsten Januari 18ÜG voor te dragen, wijzen de gemeenten aan, in wier belang, uit hoofde van bijzondere omstandigheden, van de bij art. 241 en art. 254, lste zinsnede, gestelde regels kan worden afgeweken." Een recht kan dunkt mij, aan de gemeenten niet worden toegekend; maar wat in haar belang van wege bijzondere omstandigheden ook nu nog noodig is, zonder dat de algemeene werking der wet, meer dan noodig, gestuit worde, dit zal bij de voordracht van het Gouvernement aan de Staten-Generaal gebeuren.

Sluiten