Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inderdaad, Mijnheer de President, ik durf, waar aan geldelijke ondersteuning voor spoorwegen, groote of buurtwegen, door particulieren aan te leggen, gedacht wordt, geenerlei toezegging doen. Zoolang de aanleg onzer Staatsspoorwegen niet dichter bij de'geheele voltooiing is dan op het oogenblik, moeten wij ons onthouden.

En de geachte spreker, even als de Vergadering, gelieve op de gevolgen te letten, indien de Minister, uit welwillendheid voor deze of gene lijn, toegaf. De eerste plicht der Regeering is rechtvaardig te zijn; welwillendheid komt in de tweede plaats. Tot welke uitgaven zou men genoopt worden wanneer men zich op dien populairen weg van subsidieeren begaf? Men zou dan niet alleen te doen hebben met de ontwerpen, reeds gemaakt; het zou een aanloksel zijn voor zoo menige nieuwe onderneming. E11 waar is de Regeering die, wanneer eens de barrière valt, den stroom zou kunnen tegenhouden ?

De geachte afgevaardigde herinnere zich, dat de Minister altijd nog meer gestreefd heeft naar opbeuring van den ondernemingsgeest van particulieren, des noods door ondersteuning niet publieke geldelijke hulp — dan naar aanleg met Staatsgeld van groote publieke werken. De kracht, die wij aldus wekken, is honderdmaal grooter dan het nut, dat de grootste publieke werken, die ook de despoot in staat is te schenken, kunnen stichten. Men zal mij in dat opzicht, is de tijd tot handelen gekomen, op de oude plaats in de oude gezindheid vinden.

Ik zie niet voorbij, dat zijlijnen productief zullen kunnen worden voor de Staatsspoorwegen en ook in andere opzichten nuttig werken; doch dat financieel voordeel kan niet opwegen tegen de redenen om zich nu nog te onthouden.

Aansluiting met vreemde spoorlijnen.

Het punt, niet voor de eerste maal hier genoemd, de aansluiting te Ihrhove door den heer Jonckbloet opnieuw ter sprake gebracht

Indien de Kamer kon besluiten, in het vervolg alleen den Minister van Binnenlandsche Zaken over dergelijke zaak aan te spreken, zou dit de kortere weg zijn. De Minister van Buitenlandsche Zaken kan toch niet anders zijn dan trechter; het beleid moet van den anderen Minister komen.

En deze is op dit punt zoo min als op eenig ander van meening, verwachtingen te vleien zonder grond, of eene zaak, die er bleek uitziet, te kleuren.

Hoe is de stand? Om het juist te zeggen, voor het oogenblik stilstaand. Vóór eenige jaren heeft eene internationale commissie de zaak onderzocht. Zij is tot het besluit gekomen, dat de richting op Ihrhove, de overbrugging van de Eems bij Weener, in het belang was van beide landen. Op dien voet heeft men onderhandeld. Oldenburg zou de verbindingslijn aanleggen en tot Leer exploiteeren, 1 ruisen op zijne kosten het tweede spoor tusschen Ihrhove en Leer leggen, en 01denburg_ eene bijdrage ontvangen van 3U0.0U0 thaler van Pruisen, en van 7 ton gouds van ons.

Op dien voet werd onderhandeld, zoover onderhandeld is. In

Thobbecke, Parlementaire redevoeringen, 1870—1871. 18

Sluiten