Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 21 November 1865, aangeteekend. Vooreerst, de verbetering van het vaarwater, onder goedkeuring der Regeering uit te voeren; 2o. aan de Maatschappij wordt de eigendom afgestaan van den zeeboezem beoosten de lijn, die de Voorst met het Ganzendiep verbindt; 3o. de Maatschappij zou, nadtt de leidammen en de uitdieping waren aangevangen, met Gedeputeerde Staten in overleg treden omtrent een tijdelijk te heffen uitdiepings- en jaaggeld, waarvan het bedrag nader door den Koning zou worden vastgesteld, zoo daartoe alsdan termen gevonden wierden; eene vergunning dadelijk weder in te trekken, in geval de Regeering mocht oordeeleu dat er geen genoegzame voortgang met de werken tot verbetering van het vaarwater mocht worden gemaakt, of zoo die niet behoorlijk onderhouden wierden.

Deze zijn, meen ik, de wezenlijke bepalingen; derhalve, zoolang niet uit de concessie zelve iets anders betoogd wordt, moet ik volharden bij hetgeen ik zeide.

Artikel 80. Rotterdamsche waterweg.

Hoeveel zou het werk kosten? In hoeveel jaren zou het gereed zijn? vroeg de heer Stieltjes.

Ik kan zoodanige berekening bij gissing, zoo als de geachte spreker verlangt, niet geven. Ik heb die niet gevraagd, en zal ze ook niet vragen. Ik ben aan misrekeningen bij werken van waterstaat nog al gewoon; maar zoo ik op eenig werk gerekend heb, èn wat de kosten èn wat den tijd van voltooiing betreft, bij de données die schenen te bestaan en de soliditeit van het onderzoek dat voorafging, dan was het dit werk. Ik ben geducht te leur gesteld en wacht nu af. Ik verzoek den geachten afgevaardigde met mij te wachten.

Artikel 95. Onderhoud, herstelling en verbetering der zeelui vens, daaronder het Krabbersgat.

Antwoord aan den heer van (ïoltstein.

De eerste vraag van den heer van Goltstein: „Waarom heeft de Regeering voor het onderhoud van de krib in het Krabbersgat slechts f 1000 uitgetrokken, terwijl er verleden jaar f 500 meer voor was toegestaan V'

Waarschijnlijk omdat men denkt met f 1000 het onderhoud behoorlijk te kunnen bestrijden.

De tweede vraag: „Is de Regeering genegen om de haven van Enkhuizen voor Rijks rekening over te nemen?" Die haven heb ik niet vergeten. Hetgeen men tot dusver ter verbetering van het Krabbersgat beproefde, heeft veel gekost zonder evenredig nut. üocli de haven op dit oogenblik voor 's Rijks rekening over te nemen, daaraan is, in de financieele stelling waarin wij ons bevinden, niet te denken. Hetgeen niet uitsluit dat gedacht zal worden aan hetgeen voor de haven zal kunnen geschieden, misschien bij de aanstaande begrootin<f te overleden.

o <j oo

Sluiten