Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middelbaar onderwijs, waaraan ik de groote schuldige ben, ook wel eenigszins aan de andere onderwijsuitgaven, hier echter bovenal. Eenige jaren geleden gaven wij voor middelbaar onderwijs geen cent uit. In 1863, het eerste jaar der wet, f 18 a 19.000 en nu f 700.000 ii 800.000. De gemeente-uitgaven voor middelbaar onderwijs, een grooter cijfer, laat ik buiten rekening. Met kleinachting te spreken van de gelden, die wij aan onderwijs besteden, wordt dus door de feiten niet gerechtvaardigd. Van mijne zijde hecht ik evenwel minder aan de sommen, die wij voor onderwijs uitgaven, dan aan hetgeen wij daarvoor erlangen.

Tegen verhooging dier sommen, het is reeds gebleken en liet zal nog meer blijken bij de voortgezette discussie over deze begrooting, zie ik hoegenaamd niet op. Maar is hetgeen de geachte voorstellers vragen doeltreffend V

Wat vragen zij? Eene uitloving van subsidien, van premien, aan hen, die middelbare scholen voor meisjes zouden willen oprichten. Men heeft zich beroepen op hetgeen bij uitvoering der wet van 18(33 gebeurd is. Doch hier mag ik wel zeggen: cum duo faciunt idem, non est idem. Heeft men toen premien uitgeloofd? Ging men aan de gemeenten vragen: wilt gij subsidie hebben? Neen. Men zag om naar de meest gelegene gemeenten in de onderscheidene oorden van het land, waar, zoo de gemeente niet besloot eene hoogere burgerschool op te richten, eene Rijksschool zou moeten komen, en men vroeg: verlangt gij eene Rijks- of eene gemeenteschool? Voor het overige wachtte men de vragers af; men noodigde niet uit. Daarenboven, waarmede had men te doen ? Wanneer een subsidie werd verleend wist men waarvoor; het kader der middelbare scholen was omschreven, gelijk een publiek werk waarvoor subsidie wordt verleend; men weet waartoe het dienen moet. Maar het begrip, de inrichting van meisjesscholen is niet omschreven.

De heer Jonckbloet zegt: „looft gij geen subsidie uit, gij zult geene middelbare scholen voor meisjes krijgen." Is dat waar, dan is het besef van de behoefte nog niet zeer sterk, en hebben wij, heeft de maatschappij, al kan de heer Jonckbloet niet wachten, nog tijd.

Tusschen 1850 en 1800 was in Frankrijk onder Napoleon III door oeconomen, die de Engelsche landhuishouding hadden nagegaan, den stoot tot draineeren gegeven, als hulpmiddel van den landbouw in zoo menige streek. Men luisterde naar hen, en het middel werd hier en daar toegepast. Doch nu komt het Keizerlijk Gouvernement op het ongelukkig denkbeeld, vele millioenen als subsidie voor drainage uit te trekken, en sedert dien tijd hield de verbetering op; ieder wachtte op zijn aandeel van de millioenen en men deed niets. Door ontijdige subsidie-uitloving zal men stuiten hetgeen men wenscht aan te moedigen.

De heer Jonckbloet zegt verder: „de Minister kan voorwaarden stellen." Dat juist zou ik hoogst ongaarne doen, noch een Minister zien doen. Dat regenteeren door het stellen van voorwaarden in

thorisecke, Parlementaire redevoeringen, 1870—1871. 20

Sluiten