Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werking van den kanaalstroom, na de afdamming, 1£ maal verhoogd, dan mogen wij wel eenige hoop hebben dat wij op den goeden weg zijn.

Op de twee punten, waarop de heer Hein aandachtig maakt, als gevolgen van het te verhoogen peil van het Voornsche kanaal, zal ik het oog van hen, die tot instructie en tot voorlchting van den Minister geroepen zijn, bijzonderlijk richten. Vooreerst het gevaar, dat voor de dijken zou kunnen ontstaan, een gevaar van overstrooming; voorts of, om een ander mogelijk gevaar, bij inlatiug van groote schepen, te keeren, het noodzakelijk zal zijn — het zou eene kostbare noodzakelijkheid wezen — den schutkolk te verruimen.

De zaak van Dronthen. Na gedurende zes of zeven jaren uit het torentje afwezig te zijn geweest, heb ik die ongelukkige zaak in denzelfden staat gevonden waarin ik haar gelaten had; zij was geen schrede gevorderd. Zij is nu weder opgevat. Ik wenschte volkomen te kunnen rekenen op den ijver van de provinciale vertegenwoordiging, geprezen door den heer Nobel. De provinciale Staten van Overijsel hebben zeker gedaan wat zij konden, maar van die van Gelderland durf ik niet hetzelfde zeggen. Intusschen zijn de klachten, die aanleiding gaven om deze groote verbetering te beginnen, juist uit Gelderland opgerezen; doch nu het er op aankomt te voorzien, de zaak op een goeden voet te brengen en eene geheele streek voor gevaar te behoeden, nu zijn het juist de Gelderschen die belemmeren, daar ze oprichting van één waterschap, het hoofdmiddel, tegenhouden.

Blijft geen andere weg over, dan zal de wet van 1855 te baat genomen en voor het eerst toegepast worden. Dan zal de regeling hier, bij Koninklijk besluit, worden vastgesteld. Ik hoop dat de provinciale Staten het zoover niet zullen laten komen. Waarom hier, buiten hen, laten maken hetgeen zij zelve kunnen, en zoowel door de wet als door het belang der zaak geroepen zijn te doen?

Kon dan — vroeg de heer van Rhemen — de wet van 1869 niet worden ingetrokken?

Op de aanmerking van het geachte lid uit Gelderland wil ik enkel tot mijne rechtvaardiging antwoorden, dat ik wel eenige huivering gevoel, eene wet zoo kort na de geboorte dood te verklaren, zonder haar eenigen tijd van leven en werking te vergunnen. Ik ben daarenboven, gelijk ik de eer had te herinneren, nauwelijks eerst begonnen na te gaan welke de werking der wet is, en het kan zijn, dat, hetgeen mij nu onoverkomelijk toeschijnt, wellicht overwonnen wordt. Een weg om het te overwinnen zie ik nog niet; doch de geachte spreker gunne mij den tijd, dien ik mij meen te moeten voorbehouden, om eene wet te beoordeelen, waarover ik niet gunstig gestemd ben, en die ik juist daarom nog wat langer aan de proef gelijk aan het oordeel ook van het publiek wensch onderworpen te zien.

Sluiten