Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beraadslaging over de zevende afdceling (onderwijs).

Ook in de eerste kamer werden de bekende grieven tegen de schoolwet van 1857 opgerakeld. De wet deed niet gelijk recht aan het bizonder als aan het openbaar onderwijs — verklaarde de heer van Bijlandt. — En toch, het bizonder onderwijs diende evenzeer als het openbaar onderwijs het belang van allen, en kon dus aanspraak maken op gelijke behandeling door den staat, als het openbaar.

De heer Messchert van Vollenhoven ging verder. Door „diep plichtbesef' gedrongen, verdedigde hij de stelling, dat in artikel 194 der grondwet aan een ieder openbaar onderwijs werd toegezegd, „voldoend" aan zijne godsdienstige begrippen. Er was maar één geloof, staande tegenover ongeloof, en dat behoorde op de openbare school tot zijn recht te komen. Kerkelijke toestanden hadden met de kwestie over het lager onderwijs niet te maken.

Ten slotte hield de heer Geertsema eene vurige philippica tegen den minister van binnenlandsche zaken. Voor „oorlog", klaagde hij, werd op geene millioenen gezien, doch voor landbouwonderwijs bleef de beurs gesloten. Dan, bij de belangen van den landbouw beland, begon hij ook over de longziekte van het vee te spreken. Wat deed de regeering ter bestrijding van de longziekte onder het rundvee? Ook hier dezelfde klacht De nuttige maatregelen van het besluit van December 1870 waren te niet gedaan; en het geld werd voor „oorlog" besteed.

Onderwijzerssalarissen.

In de eerste plaats een antwoord op de philippica van den geachten spreker uit Groningen.

Eene rede, die van het begin tot het einde juist niet den indruk gaf van eenige erkentelijkheid, die aan den Minister van Binnenlandsche Zaken juist op dat gebied kon toegedacht zijn. Ik spreek het eerst van een onderwerp, dat de geachte afgevaardigde het laatst aanvoerde: het landbouwonderwijs. Wat hij zeide komt neêr op het meest ongegronde verwijt, dat aan den Minister kon worden gedaan. Wie heeft in de Vergadering der Staten-Generaal en bij de wetgeving het landbouwonderwijs meer in bescherming genomen dan de Minister? Het verwijt van den geachten afgevaardigde komt hierop neêr, dat de Regeering eene school te Groningen, die aan het doel niet beantwoordde, niet met nog liooger subsidie heeft willen ondersteunen dan hetgeen reeds te hoog was. Waarom niet? Omdat, naar het oordeel in de provincie Groningen en van alle deskundigen daarbuiten, hetgeen men zich met die school en dat onderwijs voorgesteld bad, mislukt was. Dat de Minister niet ongenegen is om te helpen, de geachte spreker zal het zien wanneer het voorstel gedaan wordt om landbouwonderwijs van wege het Rijk in te stellen. Steeds was ik bereid om landbouwonderwijs aan hoogere burgerscholen en andere instellingen te ondersteunen. In de eigen provincie van den geachten afgevaardigde, te Warffum, heb ik eene gesubsidieerde landbouwschool, verbonden aan eene hoogere burgerschool, bevorderd.

De geachte afgevaardigde meent, dat men voor „oorlog" het geld behouden wil, hetgeen men aan nuttigen arbeid of noodige

Sluiten