Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dei herziene armenwet voorstelle, dut de bevolking het vorige cijfer weder zal bereiken. Aangenomen evenwel, dat het gebeurde, dan nog zou de overblijvende grond voldoende wezen om de valide armen aan het werk te houden, en zou men nog aan het stuk, dat verkocht zal worden, te veel hebben.

Eene tweede reden. De gronden zijn te ver afgelegen van het gesticht waar de arbeiders, de verpleegden, gehuisvest zijn. De afstand is zoo groot, dat er in den winter meer tijd moet besteed worden aan het heen en weer gaan dan er voor den arbeid overblijft, en ook in den zomer uren met heen en weer trekken verloren gaan.

Reeds vóór een paar jaren moest men vrije arbeiders ter bewerking huren, iets wat met het doel der gestichten zeker niet overeenkomstig is. Ihans, bij de verminderde bevolking, al de vrouwen overgebracht naar Veenhuizen, zou het getal vrije arbeiders, die men noodig zou hebben, moeten klimmen.

Voeg daarbij, dat de aangeslagen hoeven in een verwaarloosden toestand verkeeren, ten deele door gebrek aan toezicht, door den afstand van het middenpunt verklaarbaar.

De tweede vraag: „kan door den verkoop eene eventuele vereeniging der gestichten niet worden gepraejudicieerd?" Dit is onmogelijk. Indien men vereenigde, kan nooit Veenhuizen ingelijfd worden in Ommerschans, maar zal de bevolking van Ommerschans naar Veenhuizen moeten gaan. Vermindering van den grond te Ommerschans kan dus nooit aan eene eventueele vereeniging, indien daartoe al besloten wierd, in den weg staan. De vereeniging toch, waarop men doelt, is vereeniging van de bevolking, niet van territoir.

Ontwerp van wet, verklarend het algemeen nut eener onteigening te Rotterdam.

Beantwoording van het verslag der kamer.

Volgens het Eindverslag „vertrouwden eenige leden dat bij de toepassing van de wet van 28 Augustus 1851 men zich steeds streng zal blijven bepalen tot datgeen, wat voor het algemeen nut onteigening vordert, en men niet verder zal gaan dan voor het daar te stellen werk onvermijdelijk noodzakelijk is", Zoo niet „eenige leden", maar de gansche Kamer vertrouwde, dat dit beginsel streng zal worden in acht genomen, zoolang ik althans de eer zal hebben hier te zitten, mag ik verzekeren dat dit vertrouwen niet misplaatst is. En wat nu Rotterdam betreft, ik zie hier het geëerde lid, burgemeester dier aanzienlijke stad, tegenover mij zitten, die getuigen kan, hoe ongemakkelijk ik in deze zaak was. Ik heb niet berust in de nauwkeurige opneming en opgaven van het gemeentebestuur, ondersteund door bekwame ambtenaren, maar door eene commissie met een ingenieur, onafhankelijk van en vreemd aan het gemeentebelang, het gansche terrein, voor zooveel de onteigening betreft,

Sluiten