Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werken, die bij uitvoering van zijn plan noodig zullen worden. De concessionaris is dus in het alternatief geplaatst, öf die voorwaarde aan te nemen, öf zich de concessie te zien weigeren.

Wenscht hij, dat de concessie hem verleend worde, dan zal het in zijn belang wezen, dat het aan te leggen werk door de wet verklaard worde een werk van algemeen nut te zijn; en dit belang zal hem weerhouden vooraf te koopen. Heeft de wet het werk, dat hij wil aanleggen, voor een werk van algemeen nut verklaard, dan staat de concessionaris ten aanzien van voorwaarden, die men hem wil opleggen, op een gansch anderen grond, dan wanneer hij alleen tegenover den Minister van Oorlog stond.

Eindelijk schijnt mij de onderstelling, dat de zaak altoos bij de Staten-Generaal zal moeten komen, een misverstand. Waartoe, zoo een concessieaanvrager, die vooraf gekocht heeft, zich aan de voorwaarde, door den Minister van Oorlog gesteld, onderwerpt, omdat hij er geen bezwaar tegen heeft, omdat hij die voor rechtvaardig en billijk houdt, en de zaak hem de gevraagde opoffering waard is, waartoe zou dan de vraag voor de Staten-Generaal gebracht worden V

Evenwel, het belang van den concessievrager zal in den regel medebrengen dat, buiten den Minister van Oorlog, nog het oordeel eener andere autoriteit worde ingeroepen. Hij zal dus liever de wet afwachten, dan, al kon hij, vooraf koopen.

Tweede kamer.

13 November. Staatsbegrooting voor 1872. Algemeene beraadslaging.

Vaststelling der legerorganisatie bij de wet.

De minister van oorlog, met de vraag overvallen, of hij vaststelling der legerorganisatie bij de wet wenschelijk oordeelde, had den indruk gemaakt, alsof hij voor eene bevestigende beantwoording weinig gevoelde. De heer Joncbloet wenschte te weten, of het kabinet over dit aangelegen punt dan nog eensgezind was.

De laatste woorden van den geachten spreker maken eene verklaring, in zijnen geest voldoende, moeilijk. Hij heeft den toestand beschreven uit hetgeen in de Memorie van Beantwoording medegedeeld werd. De Minister van Oorlog, eenige maanden geleden, hier verrast, a bout portant overvallen met de vraag: wat denkt gij van eene legerorganisatie bij de wet? heeft toen, volgens den indruk dien hij van eene dergelijke taak had, aanstonds geantwoord. Wellicht — de Minister van Oorlog veroorlove mij dit te zeggen — had hij beter gedaan zich op dat tijdstip te bepalen bij „die vraag is in overweging". Maar nu het blijkt, dat de zaak in den Ministerraad ter sprake is gebracht en dat de Minister van Oorlog verklaard heeft: „ik kan voor het oogenblik over de bedenkingen, die mij weêrhouden, nog niet henen, maar ik geef het antwoord zoodra het noodig zal zijn positief te antwoorden", wat wil men nu in

Sluiten