Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoeft te twijfelen: de Minister van Oorlog zal weten wat hij te doen heeft, en wel gereed zijn met zijn antwoord, hoe het ook moge uitvallen, wanneer zijne begrooting in behandeling komt.

14 November. De minister van binnenlandsche zaken sloot de discussie:

Mijnheer de President, indien ik niet door sommige interpellatie» verplicht ware, zou ik, na zoo zaakrijke redevoeringen, als wij hebben gehoord, niet zijn opgestaan. ' <'

Hetgeen mij overgelaten is, komt op weinig neêr: maar ik moet antwoorden.

Vooreerst: de commentaren, heden van meer dan ééne zijde gemaakt op eene zeer eenvoudige uitdrukking, die, dacht mij, niet anders kon verstaan zijn dan in den zin waarin ik ze gebezigd had.

Ik zeide gisteren: dat onze meening was en moest zijn, aan den Minister van Oorlog, in den twijfel die bij hem bestond, van onzen kant eene gouden brug te bouwen.

Ik zeide dat gisteren ten gevolge van eene rede van het geachte lid uit Winschoten, den heer Jonckbloet, die de onderscheidene zinsneden van de tweede alinea § 2 der Memorie van Beantwoording,

Algemeene Beschouwingen, voorlezende, ze met eene zekere beteekenis rangschikte. Daarbij trof mij de plaats, die hij aan de woorden gaf:

„De Minister van Binnenlandsche Zaken ziet dan ook in de schets, welke zijn ambtgenoot van Oorlog bij de begrooting gaf, een avantprojet, later met de wetgevende macht te overleggen en vast te stellen."

Toen ik zeide, dat wij meenden aan den Minister van Oorlog eene gouden brug te moeten bouwen, zag dit op niets anders dan op die woorden.

Te eer kon gehoopt worden dat men een eerst gevoelen van den Minister van Oorlog niet als eene beslissing voor altoos behoefde aan te nemen, wanneer men zich herinnerde hetgeen over deze vraaf voorgevallen is.

Toen ik eenige, het zijn verscheiden, jaren geleden in liet verdedigen van het beginsel: „legerorganisatie bij de wet", in deze Kamer alleen stond, had ik den geachten spreker uit Steenwijk tot levendigsten antagonist. Volgens hem kon dat nooit.

Hij heeft het gisteren erkend, maar tegelijk, dat de meerderheid der Kamer thans voor het beginsel schijnt te zijn. En het scheen mij zelfs toe, dat hij nu meer genegen was de redenen, die voor de zaak pleiten, te overwegen, dan wel in vroeger tijd.

Hetgeen toen eene ongeloofelijke ketterij scheen, is nu bijkans een requisitoir, een schibboletli geworden.

Zoo nu de Minister van Oorlog jaren lang in hetzelfde denkbeeld heeft verkeerd als de geachte spreker uit Steenwijk, en er misschien nog in verkeert, kan dit dan bij den grooten omkeer, dien in de laatste jaren zoo menig inzicht omtrent de defensie ondergaan heeft, aanstonds als onherroepelijk worden aangemerkt ¥ Is het niet mogelijk

Sluiten