Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vraag is dus alleen: zijn de werken daartoe voldoende? Hierover is geschil, dat tot klaarheid moet worden gebracht.

Wat de bevoegdheid der Regeering in betrekking tot de Kanaalmaatschappij betreft, dit punt kan de heer Stieltjes gerust aan de Regeering overlaten.

29 November. Voortgezette discussie over reeds herhaaldelijk uiteengezette punten.

Antwoord aan de heeren Heemskerk en Stieltjes.

Wanneer niemand het woord vraagt, moet ik het wel voeren; schoon het mij gepast voorkomt, dat de Minister de laatste spreker zij.

Zoo in het vervolg iemand lust mocht hebben eene uitvoerige geschiedenis te schrijven van de debatten over de Kanaalmaatschappij, dan zouden hem wel als motto een paar mooie zinsneden uit Tristram Shandy kunnen invallen: „Zullen wij het niet verder brengen dan de apothekers, die, om eene nieuwe mixtuur te maken, slechts van het eene glas in het andere gieten? Zullen wij steeds hetzelfde touw los en vast draaien"?

Ik heb vier punten te behandelen met den heer Heemskerk, en een laatste met den heer Stieltjes. Ik hoop zoo duidelijk, zoo eenvoudig en zoo verstaanbaar mogelijk te zullen spreken. Ik laat alle technische discussie ter zijde.

Vooraf deze opmerking. Het Gouvernement mag geen partij zijn, en is geen partij. Zoo de Regeering partij is, dan is zij dit enkel en uitsluitend voor het algemeen belang; zij kan geen partij zijn voor de Kanaalmaatschappij of voor wien ook. Acht men het Gouvernement daarbij zoo blind niet te zien, dat de zeer tegenstrijdige stemmen, die over deze zaak, over het beleid der llegeering, over de houding der Kanaalmaatschappij opgaan, meestal uit partijdige bronnen voortkomen ? Gelooft men, dat het Gouvernement zóó blind is? En indien men dat r.iet gelooft, dan mag men aannemen dat het Gouvernement op zijne hoede is.

1. Is de Maatschappij, vraagt de heer Heemskerk, in mora? Dat is, Mijnheer de President, geene vraag. Indien de Maatschappij in mora ware, in de wezenlijke beteekenis, dan zou de Regeering de eerste zijn het te zeggen, en geene vraag afwachten; dan zou niet een millioen als voorschot aan de Maatschappij op de begrooting zijn gebracht. Het tegendeel bleek ook reeds — en ook daarom was de vraag volkomen onnoodig — uit hetgeen ik vroeger zeide, dat, zoo als de zaken thans staan, tot 1874 niemand eenigen maatregel van dwang ten aanzien van de Maatschappij kan bezigen.

De geachte spreker acht eventueele weigering mogelijk van dat millioen, hetwelk op de begrooting voorkomt. Het is het laatste millioen van de 2£, welke als voorschot bij de concessie zelve aan de Maatschappij zijn toegezegd.

2. Met betrekking tot de oogenblikkelijke geldverlegenheid deiMaatschappij zijn wij met het gemeentebestuur van Amsterdam in een overleg getreden, dat de heer Heemskerk zeer verkeerd heeft

Sluiten