Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgesteld. Hij vergelijkt hetgeen hij zelf als Minister in 1867 aan den raad der hoofdstad in bedenking gaf niet de onlangs gevoerde onderhandeling; en die vergelijking valt niet ten onzen voordeele uit. Nadat zijne proef niet geslaagd was, hoe kon de onze gelukken? De geachte spreker onderscheidt den zeer verschillenden toestand niet. In 1867 was de toekomst van het werk op verre na niet zoo verzekerd als het thans is. Zoo toen de raad niet trad in het Regeeringsvoorstel oui in 1871 één millioen en in 1873 een tweede millioen beschikbaar te stellen, kon eene reden gezocht worden bij de onzekerheid waarin de onderneming toen nog verkeerde. En nu? Het is nauwelijks noodig, dat men zich beroepe op ieder die de werken bezocht heeft; thans is de stand geheel anders. Wat heeft in dezen stand het Gouvernement gedaan ? Een waardig aanbod aan den raad der hoofdstad, om de millioenen, welke zij tegen het tijdstip van de voltooiing van het werk beloofd heeft, vroeger beschikbaar te stellen. En hoe? Aldus, dat zoowel de renten worden gewaarborgd door de Regeering, natuurlijk met toestemming der wetgevende macht, als teruggave der kapitalen zelve, zoo niet op 1 Augustus 1876 het kanaal voor den dienst geopend ware.

Ik laat de beslissing van den raad daar. Doch ik zie volstrekt niet in, wat hem beletten moest het voorstel aan te nemen waarbij Amsterdam niets hoegenaamd waagde of verliezen kon.

3. Hoe verklaart gij, vraagt de heer Heemskerk, dat de Maatschappij al wederom om geld verlegen is? De geachte spreker, toen hij drie of vier jaar geleden Amsterdam trachtte te bewegen, om in 1871 een millioen, en 1873 andermaal een millioen aan de Kanaalmaatschappij uit te keeren, verklaarde dat die twee millioen, welke de raad weigerde, onmisbaar waren. Ik toonde gisteren aan hoevele millioenen werks de Maatschappij vóór is; ik reken daarvoor nu slechts — liet cijfer is grooter — drie millioen. Tel daarbij de twee Amsterdamsche millioenen, welke de Maatschappij gemist heeft, en gij bereikt reeds de som van 5 millioen.

4. Bij zijne bestrijding verwart de heer Heemskerk twee dammen. Ik herinnerde gisteren, hoe de Kanaalmaatschappij, toen Amsterdam in 1866 de hulp, door den geachten spreker gevraagd, weigerde, in de ongelegenheid dacht te voorzien. Zij wilde, in de richting van den dwars door het IJ van de Zaan naar Amsterdam aan te leggen spoorweg, een hoogen dijk bouwen om een deel van het westelijk IJ afzonderlijk te sluiten, en alzoo de droogmaking te vervroegen. Door dit middel rekende men in het bezit van gronden te zullen komen, die reeds in 1874 vruchten zullen opbrengen, en waarop dus pandbrieven konden uitgegeven worden. Het leggen van dien dam is niet toegestaan.

Van dien dam sprak ik; doch de geachte spreker streed alsof

de IJdain, de afsluiting tusschen liet IJ en de Zuiderzee bedoeld wierd.

5. Het laatste punt heb ik met den heer Stieltjes te behandelen. Niet op eene zijner waardige wijze; de wijze toch, waarop men met

Sluiten