Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenigszins ontstemd sprak de heer Heemskerk de verwachting uit, dat de kamer zich binnenkort weder met hetzelfde onderwerp zou moeten bezighouden.

Juist uit hoofde van die verwachting, dacht ik, dat de geachte afgevaardigde den post der Kanaalmaatschappij zou hebben laten voorbijgaan, om later in een meer grondig debat te treden. De verwachting van den geachte afgevaardigde is juist; reeds hetgeen aan den raad van Amsterdam is voorgesteld zou tusschenkomst deiwetgevende macht hebben gevorderd, die nu denkelijk niet minder noodig zal zijn. Dan kan de discussie, zoo men wil, over de gansclie zaak worden geopend.

Een woord betreffende het staaltje van de kunst, welke de heer Heemskerk meer dan eenig ander verstaat, om zijne wederspraak tegen de meest klare feiten, ja tegen het zonlicht, niet dan met eenige reserve te laten varen: een hoekje wordt steeds overgehouden, van waaruit nu of later een protest zou kunnen oprijzen. Zoo hier. De Minister, zegt de geachte afgevaardigde, verklaarde: „de Maatschappij is niet in mora, dus wij kunnen gerust zijn: evenwel werd aan het bestuur van Amsterdam geschreven, dat de Maatschappij, in de voorbaat, zich kan vergenoegen in de volgende jaren tot 1874 langzaam voort te werken: waartegen, zegt de Minister, zoo veel mogelijk moet voorzien worden." Valt daaruit een twijfel te putten, dat de Maatschappij in mora zou zijn? Mijn gezegde ziet immers duidelijk op de wenschelijkheid, dat met gelijke inspanning, als laatstelijk, worde doorgegaan. De Maatschappij zou daartoe echter in de onmogelijkheid zijn, zoo men haar niet te hulp kwam; tegen die onmogelijkheid moet, zeide ik. voorzien worden; en daarom stelden wij aan den raad van Amsterdam de middelen voor om de Maatschappij tot onverpoosde voortvarendheid in staat te brengen. De geachte spreker heeft mijne woorden uit hun verband gerukt, en daaraan alzoo eene gansch andere beteekenis gegeven, dan zij blijkbaar hebben.

Onderwijs.

Beraadslaging over het hooger onderwijs in liet algemeen.

De theologische faculteit aan de hoogescholen. In cene niet zeer heldere rede drong de heer Hoffman aan op opheffing der theologische faculteit, welke de vrijheid der hervormde kerk belemmerde. Niet de staat, verklaarde hij, maar de kerk moest zich belasten met de opleiding harer leeraren. Zijne meening nader uiteenzettend, beriep hij zich op eene passage uit het over het laatst ingediend ontwerp tot regeling van het hooger onderwijs uitgebracht voorloopig verslag der kamer. Daarin werd gezegd, dat het voortbestaan der faculteit „evenzeer zoude indruischen tegen het beginsel der scheiding van kerk en staat, als strijdig zijn met de rechten en belangen der andere gezindheden en van het Hervormde kerkgenootschap zelf." „Voor de opleiding der godsdienstleeraren moest uitsluitend worden gezorgd door seminarien en kweekscholen, vanwege de kerkgenootschappen opgericht en onderhouden, doch die in bijdragen uit de staatskas ondersteuning konden vinden, althans voor zoover

Sluiten