Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teekend. Ik onderteeken het nog eens, want liet drukt volkomen mijne meening uit.

Doch gesteld, de toestand ware anders dan ik dien beschreef; toen de Minister in den zomer van 1871 of in welken zomer ook, eene toezegging deed, kon de geachte spreker verwachten dat bij eene volgende begrooting aan zijn wensch zou worden voldaan? Welk is daarmede het mogelijk verband eener begrooting? Zij noemt theologische faculteiten en daarin aangestelde professoren. Zou men de bezoldiging voor die professoren intrekken ? Heeft de geachte spreker het denkbaar geacht, dat de Minister bij eene volgende begrooting de theologische faculteiten zou afschaffen? Zou dit bij eene begrootingswet aangaan?

De geachte spreker dit overwegende, zal, hoop ik, ophouden met den Minister ontevreden te zijn, die inderdaad niet bij machte is, door middel der begrooting te doen hetgeen hij schijnt te wenschen.

De heer Heydenrijck vestigt de aandacht van den Minister op drie besluiten betreffende de beurzenstichtingen, besluiten van 1818 en 1823. Ik geloof dat in die besluiten wel het een en het ander onregelmatig is. Het was meermalen mijn voornemen, die besluiten te herzien, hetzij bij een nieuwen maatregel van inwendig bestuur, hetzij bij de wet; zooals iets vroeger of iets later gebeuren zal. Op den duur kunnen die besluiten niet blijven hetgeen zij zijn. Het is eene ingewikkelde geschiedenis, en de toepassing heeft allerlei bezwaren.

De opmerking van den geachten spreker zal dus niet verloren zijn. Wat betreft eene making, waardoor tegenwoordig eene subsidie verleend wierd aan personen, die bij eene bijzondere school hunne studiën deden, ik zou niet het minste bezwaar hebben, aan den wil van dien maker te laten gehoorzamen.

De heer 's Jacob is eene kleine deur ingegaan om bij eene nieuwe wet tot regeling van het hooger onderwijs aan te komen.

Van mijne zijde heb ik nooit aan eenigen Minister een ontwerp van die wet gevraagd, noch zelf haar ooit tegen een bepaalden tijd toegezegd, noch ooit zoo gesproken alsof men die binnen korten tijd kon tegemoet zien. Indien ik dus de regeling van het hooger onderwijs binnen een niet zeer lang tijdsverloop voordraag, doe ik méér dan ik ooit gezegd heb. Voor het overige kan de geachte afgevaardigde, met wien ik het genoegen had in de Commissie van rapporteurs over het laatst ingekomen ontwerp te zijn, het best getuigen, wie het meest actief deel aan de beraadslagingen en aan het rapport genomen heeft.

De heer 's Jacob begon met een zeer speciaal onderwerp, met een enkelen post, dien men anders niet tot thema van de algemeene beschouwingen maakt; hij begon met artikel 127: Bijdrage inde kosten van het praktisch geneeskundig onderwijs te Amsterdam f3000." De geachte spreker weet, welke de oorsprong van dat subsidie is, terecht, dunkt mij, verleend.

Sluiten