Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter sprake komt, en dit zal gebeuren bij de aanstaande regeling van het hooger onderwijs, die, hoop ik, niet zoo veel, als de daine in het tooneelstuk van Sardou, van zich zal laten spreken vóór dat zij komt, en liever zal komen vóór dat men haar verwacht.

De opheffing der theologische faculteit nogmaals ter sprake brengend, herhaalde de heer Heijdenrijck eene reeds vroeger door hem gestelde vraag: van waar ontleent de staat het recht, door zijne hoogleeraren onderwijs te geven in den godsdienst?

Door het gedruisch, dat ontstond op het oogenblik toen de heer Heydenrijck de vraag deed, welke hij bedoelt, werd ik belet ze te verstaan; ik onderstelde dat hij, indien hij het de moeite waard achtte, de vraag zou herhalen.

Zij is deze: „van waar ontleent de Staat het recht om godsdienst te doen onderwijzen, want hoe is theologie denkbaar zondeloos?"

Ik vat de vraag niet wel. Wat zou den wetgever kunnen beletten, bij zijne instelling van hooger onderwijs leerstoelen op te richten voor hetgeen in de oogen van velen, inzonderheid ooit in de mijne, de hoogste aller wetenschappen is V En bij theologie vooral is theos de eerste gedachte. Hoe zal men het recht betwisten, om in den kring van universitair onderwijs ook de hoogste wetenschap te begrijpen?

Wanneer men dus vraagt: van waar ontleent de Staat dat recht? dan is de vraag eigenlijk, dunkt mij: van waar ontleent de Staat het recht instellingen van hooger onderwijs op te richten?

Lag eene algemeene reorganisatie van het hooger onderwijs „in een meer of min verwijderd verschiet?" De heer Kappeyne van de Coppello stelde de vraag, doch gaf tevens zijne vrees te kennen, dat het antwoord ontkennend zou moeten luiden. Evenwel, hij rekende een verder uitstel der reorganisatie niet zonder gevaar. Vooral de zaak van het voorbereidend universitair onderwijs was, naar zijne meening, dringend. Intusschen erkende hij, dat dit onderwijs niet partieel, los van de algeheele reorganisatie van het hooger onderwijs, door de regeering ter hand genomen zou kunnen worden. Doch zou de regeering zich ook tegen eene uit het parlementair initiatief voortkomende poging, om de regeling van het gymnasiaal onderwijs te herzien, verzetten?

De heer 'sJacob kwam andermaal op de aangelegenheid der geneeskundige school te Amsterdam terug. Hij zag tegenspraak tusschen hetgeen de minister zooeven daaromtrent had gezegd en eene uitlating in 1869.

De heer 'sJacob zegt: ,, in 18(if heeft de tegenwoordige Minister, sprekende van een hooger subsidie aan de school te Amsterdam, gezegd: indien zoodanig subsidie toegekend wierd, dan zou men zich inzage, invloed wellicht, op de regeling moeten voorbehouden". Gelijk zoo dikwijls, men moet den samenhang nagaan waarin de woorden gesproken zijn; en zoo kan het zeer wel wezen, dat een

Sluiten