Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo leden der Kamer meenen, door het nemen van een initiatief, tegemoet te moeten komen in de uitgebreide legislatieve taak, welke op den Minister van Binnenlandsche Zaken rust, ik zal in den regel dankbaar zijn. Maar wanneer de geachte spreker zelf erkent, dat de Regeering geene partieele regeling kan voordragen, geene regeling der gymnasia alléén zonder <116 der universiteiten, dan kan hij zich gemakkelijk zeiven het antwoord geven, wat de Regeering denkt van iedere partieele regeling, van welke zijde die ook kwame. Zoo die partieele regeling eene richting had, welke de Regeering bij de regeling van het universitair onderwijs zou moeten volgen, zou men zulke volgzaamheid van de Regeering mogen wachten? Behalve dat het den geachten spreker niet kan ontgaan zijn, dat men, oni de gymnasia behoorlijk te organiseeren, aan het universitair onderwijs een deel moet ontnemen.

Men zou dus hetgeen van den beginne af in harmonie moet worden voorbereid, opzettelijk tusschen twee acteurs verdeelen, die ieder hun eigen weg, hun eigen toon en thema kozen, om later, bij transactie of capitulatie, eene harmonie te zoeken, die onmisbaar doch aldus niet te bereiken is.

Indien de geachte spreker kan aannemen, dat de Minister zooveel belang stelt in de regeling van deze zaak als hij zelf, en zeer terecht, daarin stelt, dan zal ik ter voldoening van den spreker genoeg hebben gezegd.

Artikel 118. Jaarwedden en verdere belooningen der hoogleeraren enz. te Leiden.

De heer Jonckbloet vroeg inlichting omtrent een post op den toelichtenden staat.

De hoogleeraar, hier genoemd, onder 4 B, is de hoogleeraar Kaiser, van wien verleden zomer sprake was. Ik heb toen gezegd waarom ik oordeelde dat hem op de gronden, waarop hij en anderen zich toen beriepen, eene dergelijke toelage niet kon worden verleend. Maar ik heb gemeend dat, na de stemming der Kamer, aan den Koning en vervolgens aan de wetgevende macht kon worden voorgedragen, aan den hoogleeraar Kaiser als mera liberalitas eene verhooging toe te staan, gelijk aan die, welke men, mgns inziens ten onrechte, krachtens eene Koninklijke beschikking, voor hem vroeg.

Van „liberalitas" was, meende de heer Jonckbloet, geen sprake; de kamer had beslist, dat de hoogleeraar op de verhooging „recht" had.

Ik ben van een ander gevoelen dan de geachte spreker.

De Kamer heeft niets beslist ten aanzien van den grond, waarop aan den hoogleeraar Kaiser f'700 meer zou worden verleend. De Kamer kon dat niet beslissen, en, al kon zij het, het zou de Regeering niet binden. De Regeering moet weten wat zij op hare verantwoording neemt, en zij kon niet op hare verantwoording nemen wat de geachte spreker schijnt te verlangen.

Sluiten