Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij wilt dus de meisjes van alle middelbaar onderwijs verstoken laten. Aldus zou de vraag om afzonderlijke meisjesscholen te sterker worden aangedrongen. Maar buiten verband met de zucht om hun, die onverwijld Rijks meisjesscholen verlangen, het pleit te doen winnen, begrijp ik niet, hoe men zooveel zwarigheid heeft kunnen vinden, en zoo vele spitsvondigheden uitstallen ter gelegenheid van de eenvoudigste zaak ter wereld.

Onze hoogere burgerscholen zijn voor jongens opgericht. Zóó v uitsluitend, dat, wanneer ouders wenschen hunne dochters te doen deelnemen, hetzij aan den geheelen cursus, hetzij aan enkele lessen, men dit zou moeten verbieden ? Welke redelijke grond zou daarvoor bij te brengen zijn? Ik zie noch het een noch het ander in. De universiteiten zijn voor jonge mannen opgericht. Doch wanneer een vader verlangt dat zijne dochter aldaar studeere, — het geval is voorgekomen — zal dan de Minister zeggen: neen, uwe dochter mag niet ingeschreven worden. De Minister mag dat niet zeggen. Hij mag enkel den vader, die de vraag doet, in bedenking geven: vindt gij geen bezwaar, in dien kring van onderwijs en leerlingen uwe dochter te laten opnemen ? Heeft de vader geen bezwaar, is zijn verlangen zoo groot ora het universitair onderwijs te laten genieten, welk recht heeft de Minister te weigeren?

De beide geachte sprekers zien in de toelating eene overstrooming van de middelbare scholen door meisjes. Het onderwijs zal van aard veranderen, het zal zich naar de meisjes regelen, en zoo zal het doel van de wet worden gemist. Of wij die overstrooming in het vervolg te verwachten hebben, laat ik daar; maar op dit oogenblik? In vier hoogere burgerscholen zijn meisjes binnengelaten. In Warffum ten getale van drie; in Sappemeer ééne voor den geheelen cursus en twee met uitzondering van eenige lessen; te Bommel ééne; te Winterswijk twee voor afzonderlijke lessen. In het geheele land omstreeks een half dozijn meisjes, die de hoogere burgerscholen bezoeken.

Wat is gebeurd? Ouders hebben zich gewend tot den Minister uiet de vraag: mag onze dochter niet ingeschreven worden? De Minister liet aan den directeur schrijven; is er iets in den geest en gang van het onderwijs, in de samenstelling van het personeel, in den geest der leerlingen, dat als beletsel voor toelating zou kunnen gelden? En zoo nu de directeur antwoordt: geenerlei beletsel, noch in het een noch in het ander, zal dan de Minister evenwel niet toelaten? De toelating is niet geschied dan voor bepaalde gevallen, waarin men die vroeg, en niet dan na lokaal onderzoek.

Mochten er vervolgens in stede van een of twee vijftig meisjes zich laten aanmelden, dan zullen wij zien welke maatregelen te nemen.

Mijne statistiek van zooeven dient te gelijk als antwoord op hetgeen de geachte afgevaardigde uit Winschoten bijzonder hoog deed klinken, dat zich sedert den zomer al meer en meer dringende behoefte had geopenbaard.

Sluiten