Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herinnert zich, dat het de gemeenten zijn, welke de burger-dagen avondscholen moeten oprichten en besturen.

De burger-dag- en avondscholen zullen in sommige plaatsen zonder schade wellicht met voordeel, meer ambachtsscholen kunnen worden. In steden, als bijv. Rotterdam en Amsterdam; maar zal

Se'l Va" 10-°00 inwouers eveneens aangaan, zondei dat liet ten koste zij van die instructie en ontwikkeling van den geest, welke de ambachtsman verkrijgen moet.

Dat wij bekwame ambachtslieden noodig hebben, Mijnheer de l resident, ik ben daarvan volkomen overtuigd. Kon men aan de burger-dag- en avondschool de richting geven, dat ze gevormd wierden, het zou eene groote aanwinst wezen; doch men vemete niet dat die scholen slechts voor de vroege jeugd bestemd zijn? en dat deze, wanneer haar geest geoefend wordt, later daarvan'partij zal kunnen trekken, maar dat de professie, het werken zelf, het mateneele ambacht, eerst later tot eenige volkomenheid zullen Gebracht kunnen worden. °

Ik denk, de ondervinding zal leeren, dat men voor de beschaving van den ambachtsman, als zoodanig, meer zal te doen hebben dan 111 burger-dag- en avondscholen gebeuren kan; en twijfel niet oi men zal daarin te genioet komen.

Het landbouwonderwijs. De geachte afgevaardigde uit Goes wenscht landbouwonderwijs zooveel mogelijk aan de lagere school verbonden te hebben. Ik wensch het evenzeer; maar lokale behoefte en gelegenheid, niet in alle plaatsen gelijkelijk aanwezig, moeten beslissen. \oor zoover de Regeering aanleiding kan geven, dat eerste beginselen van landbouw in de lagere school onderwezen worden, zal zij dit wel doen.

„Kunnen wij niet overal, waar ze noodig zijn, landbouwscholen

hebben zoo als er nu eene te Warffum is, waarom, vraagt de

heer Mackay, zou de Regeering dan geen wandelende leeraren aanstellen?

Voor het oogenblik zou ik daartegen nog al bedenking hebben. Wandelende leeraren zijn er reeds, zij houden voordrachten in deze piovincie, in Gelderland, in Limburg. Zij werden door partikuliere vereenigingen uitgenoodigd en in staat gesteld om die wandelingen te doen en die voordrachten te houden. Zullen wij dit nu ook al aanstonds uit de handen der partikulieren nemen ?

Ik geef de voorkeur aan het ondersteunen van die vereeniginsen die ten nutte van den landbouw werkzaam zijn, zooals dan ook reeds geschiedt en uit meer dan e'éne aanvrage in deze begrooting blijkt.

Nog een ander bezwaar: zullen de leeraren, nu door partikuliere vereenigingen afgevaardigd, even gaarne gehoord worden indien zij aangesteld wierden door het Gouvernement, en als het ware eene ofhcieele leer verkondigden? Ik weet niet of de belangstelling van het algemeen in dat geval grooter zou zijn dan thans, nu de leeraren gesteund worden door den invloed van de Maatschappijen van landbouw, wier organen zij zijn.

Sluiten