Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Subsidien aan scholen voor landbouwonderwijs.

Ik meen niet, tot dusver in de gelegenheid te zijn geweest dergelijk subsidie te weigeren. Ik ben zeer genegen om het toe te kennen, altijd onder de voorwaarde, dat men het zijne gedaan hebbe, en dat de zaak verder moet worden gebracht dan zij door partikuüere krachten kan gebracht worden. Hoe minder tot nu voor landbouwonderwijs geschiedde, des te meer ben ik geneigd tegemoet te komen.

De geachte spreker gewaagt van een adres van den Wieringerwaard. Het is mij niet bekend. Ik weet niet dat iets van dien aard tot mij kwam.

Er is dringend behoefte, zegt de geachte spreker, aan het hoogei landbouwonderwijs, bij artikel 19 der wet omschreven. Ik deel 111 zijn gevoelen. Of het echter zoo bijzonder nuttig zou wezen, dat het hooger landbouwonderwijs, hetgeen men zich toch niet als een allerhoogst, voor weinigen bereikbaar onderwijs behoort voor te stellen, aan eene universiteit verbonden wierd, daarvan ben ik nog niet overtuigd. Dat de verbinding van eene instelling van dien aard met eene hoogere burgerschool, bij de hulpmiddelen welke deze in haar personeel en hare verzamelingen aanbiedt, doeltrettend kan zijn, is, dunkt mij, duidelijk; minder of de verbinding met de universiteit voor de klasse dergenen, die dit onderwijs zullen zoeken,

aan te prijzen zij.

Dat zoodanige school een zelfstandig bestaan moet hebben, komt mij waarschijnlijk voor. Ook dat zij gesteund moet worden dooide' medewerking van eene hoogere burgerschool die zelfstandig daarnevens sta. Verder zou ik op het oogenblik met durven gaan, ook daarom niet, omdat ik de eischen, hier te lande aan hooger landbouwonderwijs te stellen, niet zeer hoog durf opvoeren.

Mijn verlangen zou wezen, dat het een populair onderwijs ware, een onderwijs dat tot onze landbouwende bevolking doordringen, en daarop vat hebben zou. Is door een bescheiden aanvang eenige ontwikkeling van wezenlijke landbouwkenms onder ons in gang, dan zal wellicht het onderwijs tot een hoogeren trap kunnen worden verheven. Ik zou liever beginnen met lager, dan de zaak te hoog instellen.

Replieken. De heeren Jonckbloet en Moens bleken zeer geraakt over den aanhef van 's ministers rede; vooral, dat deze hun een meesterachtigen, corrigeerenden toon verweten had, scheen hen zeer te hebben gegriefd. De heer Jonckbloet meende s ministers woorden aan slechte luim te moeten toeschrijven, veroorzaakt door het ongewone feit, dat hij van-uit de banken zijner vrienden weersproken was. „De minister was daaraan niet gewend.

Ook de heer Heemskerk kwam nog op enkele punten terug. Hij bleef toelating van meisjes op hoogere burgerscholen verkeerd achten, en waarschuwde nogmaals tegen toelating van leerlingen op de burgerscholen zonder voldoend afgelegd admissie-examen.

Ik wil hetgeen in mijne eerste rede persoonlijks was eerst afdoen, om dan nog een woord over de zaak te zeggen.

Sluiten