Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kamer meester maakt? Ik zal haar niet beschrijven. Zij is het natuurlijk gevolg van twee redenen.

Vooreerst: is het mogelijk iets nieuws op het tapijt te brengenV De twee eerste sprekers van dezen morgen begonnen met de erkenning: neen. Zóó dikwijls werden van ééne zijde dezelfde reden bijgebracht, en werd van de andere, jaar op jaar, gelijk antwoord gegeven. Men bevindt zich in den toestand van iemand, die gaarne voort wil en telkens staande wordt gehouden. Waartoe? Hadden wij een wetsontwerp, een bepaald initiatief in het zicht, wij zouden de discussie met blijdschap aanvaarden; zij kon tot iets leiden. Maar wat kan of kon, in den tegenwoordigen stand der zaak, eene beraadslaging over lager zoo wel als hooger en middelbaar onderwijs opleveren? Eene beweging, die men onderneemt, wel wetende dat men geene uitkomst zal vinden, wordt niet met grooten ijver begonnen. Daarbij komt een voorbijgaand bezwaar; men heeft te doen met een „onverzettelijk, hardnekkig, halsstarrig" Minister. Eene grief voor ieder, in zoo verre hij op een bepaald punt meer tegemoetkoming en minder standvastigheid verlangt, schoon hij op een ander punt onverzettelijkheid bij den Minister bovenal wenschelijk keurt. Aan zekeren kant wordt dat toch soms niet genoeg bedacht. Vergun mij, eene groote met eene kleine zaak te vergelijken. Eene menigte sollicitanten klopt bij den Minister aan. De Minister kan alleen het belang van den dienst naar zijn beste weten op het oog hebben; maar zij die vragen, vragen het als een dienst hun te bewijzen; sommigen zijn naïef en zeggen: „wat kost het den Minister mij dat genoegen, dat voordeel te bezorgen?" Zoo degenen, die dan eens de onverzettelijkheid van den Minister gaarne zien, dan weder hem veel te onverzettelijk vinden; zij gaan niet genoeg na, dat die onverzettelijkheid niet alleen is — ik wil mij zeiven niet verschoonen — eene onverzettelijkheid van karakter, maar dat zij bepaalde gronden achter zich heeft, gronden van overleg, van praktijk, bij een minister die niet nu voor het eerst geroepen wordt over de zaak zijn gevoelen te zeggen, of deze of gene beginselen toe te passen. Dit maakt discussie voor ieder, die eene concessie van mij verlangt, minder aangenaam. Meent men een Minister voor zich te hebben, van wien geen concessie te wachten is, dan staat de zaak hopeloos.

Onverzettelijk of niet, ik ben verplicht op nieuw mijne meening te zeggen. Het voornaamste punt is de vraag: zal van de zijde van leden der Kamer het initiatief genomen worden?

Vooreert het initiatief van den heer van Wassenaer. Hij twijfelt niet aan zijn plicht om het te nemen. Tot welk einde? Om vóór alles artikel 194 der Grondwet te herzien. Ik hoor dat gaarne, want daarin ligt de erkenning, dat men dus niet enkel te doen heeft met een niet-willen aan onze zijde, zooals wel eens beweerd is, ook thans door den heer van Nispen, naar wiens rede ik met groot genoegen luisterde. De heer van Nispen drukte meer dan eens hierop, „men wil ons niet helpen, men wil de zaak niet;" indien

Sluiten