Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stroomen werken derhalve niet in en op ééne geul, en, hoe meer geconcentreerd, des te grooter kracht. Daartoe kan te gelijk het werk dienstig zijn.

Wat is nu ter voorbereiding van het plan, aan de Kamer voorgelegd, gedaan? In eene vorige vergadering meende deze en gene niet genoegzaam ingelicht te zijn. Daarentegen vraag ik, over welk waterstaatswerk ooit zooveel stukken van instructie aan de Kamer zijn medegedeeld als over dit? En om welke redenV Omdat de Kamer ze gevraagd had? De Kamer heeft zich niet laten hooren, maar een enkel lid heeft ingenienrsbezwaren geopperd, die wel tegen ieder waterstaatswerk van eenig gewicht zullen te opperen zijn door hem, die, met eene scherpe kritiek gewapend, niet in den raad zeiven van hen gezeten was, die het werk hebben ontworpen. Maar men is in die twijfeling van Regeeringswege zooveel mogelijk te gemoet gekomen. Wanneer nu evenwel beweerd wordt: „Er is nog niet genoeg licht", dan, geloof ik, zal ieder lid der Kamer toestemmen dat, zoo de twijfelaar tien of twintig rapporten ontving, de vragen en opmerkingen zouden verdubbeld worden van de zijde van hen, die men zou getracht hebben te bevredigen. Zoo zal het altijd gaan, wanneer men eene Kamer als deze het karakter eener ingenieursvergadering wil doen aannemen; het zal onmogelijk zijn van te voren alle mogelijke bedenkingen op te lossen, eene oplossing die wellicht niet eens in eene ingenieursvergadering te geven ware.

De tijd was te kort, hoorde ik zeggen, om behoorlijk te onderzoeken. Ik heb laten detailleeren wat geschied is ter instructie, en ontving deze opgaven. Gedurende zes dagen zijn afzonderlijke waarnemingen gedaan op negen verschillende punten, waartoe zes peilschalen opzettelijk gesteld waren. Dan is er eene nieuwe triangulatie van het riviervak verricht; weken lang heeft men uitgestrekte peilingen gedaan; eene nieuwe kaart is van het vaarwater ontworpen. Neemt men daarbij in aanmerking, dat dit vaarwater jaren lang gestadig onder de oogen was van de genie van den waterstaat, en dat dit plan reeds in 1861 onder de ingenieurs bekend was, kan men dan nog zeggen: het is eene geheel nieuwe zaak? Kan men dan niet aannemen, dat de jongste opnemingen en peilingen aangevuld hebben hetgeen men nog behoefde om den tegenwoordigen toestand volkomen te kennen en het werk te ontwerpen? Is het een zoo buitengewoon werk, met het bouwen van hoofden in zee, zooals aan den nieuwen Maasmond of bij Wijk aan Zee te vergelijken? Het is een gewoon rivierwerk dat, naar de verzekering der ingenieurs, onder gewone voorwaarden en met gewone middelen kan uitgevoerd worden. Derhalve, zoo men zegt, er is niet genoeg onderzocht, kan dit in den geest van een of ander ingenieur vallen, die niet licht bevredigd is dan wanneer hg zelf opgenomen heeft. Maar het is niet juist, niet billijk, niet rechtvaardig jegens ambtenaren van den waterstaat, die toch niet licht een onrijp ontwerp aan den Minister zouden voorleggen, wetende welke gevolgen het zou moeten

28*

Sluiten