Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als een karaktertrek van zijne denkwijze en gevoelens, dan toch wel bij hem als een kenmerk van toon en uitdrukking kan worden beschouwd. Gisteren heeft hij ons gezegd, dat het de verontwaardiging van de natie had gaande gemaakt, dat in een met Rusland gesloten tractaat het woord belangeloos voorkwam. Ik meen met de natie zooveel in aanraking te wezen als de geachte spreker, maar ik moet erkennen van die verontwaardiging niets te hebben ontwaard. Nu kan het zijn, dat er verontwaardiging bij den geachten spreker is ontstaan, maar om nu zoodanig bijzonder gevoelen, zooals de geachte spreker wel meer gewoon is te doen, plotseling op eenige leden, op vele, op zeer vele leden dezer Kamer en eindelijk, buiten den kring der Kamer, op de natie, over te brengen, dit schijnt mij wat stout.

De geachte spreker heeft voorts, mijne aanmerking beantwoordende, gezegd: dat er in zijn amendement ook geen vertrouwen was uitgedrukt. Hij heeft mij verzocht zijn amendement nog eens te herlezen. Ik heb dit gedaan en bij die herlezing is mij een schoon woord voor den geest gekomen van den geachten spreker uit Nijmegen, die het amendement heeft ondersteund, namelijk: „het stuk moet waarheid behelzen". De geachte voorsteller van het amendement heeft de hier bedoelde wetten zeer dikwijls en ook thans nog, als verderfelijke wetten voorgesteld, verderfelijk voor den geest, voor de richting, voor de krachten, welke bij de natie moesten worden opgewekt. Thans zegt hij: ik ben nog hetzelfde gevoelen toegedaan, maar de nationale bezadigdheid en veerkracht zal die verderfelijke strekking kunnen overwinnen. Dit is dus de meening, welke de geachte spreker zou willen brengen voor den troon. Maar nu vraag ik, of de woorden, welke de geachte spreker voorstelt, dat uitdrukken? „Wij wenschcn", dus luidt het amendement, „dat de tot stand gekomen politieke organisatie van het volk, in verband niet nationale bezadigdheid en veerkracht, ter verlevendiging van burgerzin moge strekken." Hier is alzoo de wensch, dat die politieke organisatie moge strekken tot verlevendiging van burgerzin. Wanneer men zoodanige woorden voor 'den troon brengt, en wel ten aanhooren van de natie, dan zal men toch wel niet mogen onderstellen, dat het omgekeerde de overtuiging is, die in het hart ligt van hem, die den wensch uit. Het komt mij dus voor, dat, in verband met hetgeen de geachte spreker heeft gezegd, de door hem gebezigde uitdrukking niet in allen deele waarheid behelst.

De verwachting, heeft de geachte spreker gezegd, die men koesterde van dc kieswet, van de provinciale wet, van de gemeentewet, die hoog gespannen verwachting is wel zeer laag gedaald, wanneer men tevreden is met eene zoo kleine opkomst van kiezers als heeft plaats gehad. Die hooggespannen verwachting sloot derhalve, volgens den geachten spreker, in, dat alle kiezers of bijna allen opkwamen. Hij heeft daarbij opnieuw gezegd, dat inzonderheid in het cijfer van de opgekoniene kiezers de maatstaf ter goedkeuring of veroordeeling van de organieke

Sluiten