Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienstlooze scholen bevestigt. De geachte spreker uit Overijsel heeft zich dat, zoo het mij voorkwam, aangetrokken; hij heeft er zich door gekrenkt geacht. Mijne Heeren, ik doe het niet, om tweederlei reden. Ik doe het niet, in de eerste plaats omdat ik — met vrijmoedigheid zal ik het zeggen — sedert jaren weet, dat godsdienst bij den gcachten voorsteller van het amendement eene zeer bepaalde, uitsluitende bcteekenis heeft; de beteekenis van het dogma, dat hij voorstaat. Hij stelt zich voor, dat hij is in het uitsluitend bezit van de godsdienstige waarheid. Ik wil hem dit niet ten kwade duiden, maar ik moet het zeggen, omdat het mijn gedrag te zijnen aanzien bepaalt. Dergelijk geloof kwam zeer dikwerf voor. Ongelukkig genoeg, dat op een gebied, waar liefde en verdraagzaamheid bovenal behoorden te heersehen, verkettering sedert eeuwen een gewoon verschijnsel is. Het is evenwel een gewoon verschijnsel en daarom, denk ik, lichter voorbij te gaan. Maar de geachte spreker meent ook in het uitsluitend bezit te zijn van de kennis van hetgeen nationaal of niet nationaal is. Dit betreft onze instellingen, de wetten die wij te maken hebben, de richting van het Bestuur, en in dit opzicht mag ik den geachten spreker niet zooveel toegeven als in andere opzichten. Althans ik mag zijne stelling, dat die godsdienstlooze scholen, welke wij thans hebben, antinationaal zijn, niet met zooveel onverschilligheid voorbijlaten, als de andere stelling, ik zal nu niet zeggen dwaling. In de eerste plaats: de geachte spreker hecht aan godsdienst dc beteekenis van een bepaald dogma, en degeen die dat dogma niet is toegedaan, is niet godsdienstig in den zin, dien hij daaraan geeft. Ik zeg er niets tegen. Maar ik zeg ook niet, dat ik het eerbiedig. Tk eerbiedig geen gevoelen, dat ik voor een wanbegrip boude. Dc geachte spreker heeft echter dc vrijheid, onze scholen godsdienstloos te noemen, en die vrijheid eerbiedig ik. In dc tweede plaats: de geachte spreker zegt, cn dit troost mij bijzonder, wanneer hij beweert dat wij godsdienstlooze scholen hebben en dat de Minister van Binnenlandsche Zaken ook niets anders zal of kan voordragen, — hij zegt: die richting is dc richting van onzen tijd. Mijne Heeren, ik verlang niets meer, niets anders voor te dragen bij dat ontwerp van wet op het onderwijs, gelijk bij ieder ander, dan hetgeen in de richting van onzen tijd is. Heerschappij, dwang tegen den tijd, waarin wij leven, uit te oefenen, ik matig het mij niet aan; vooral niet daar waar ik als ontwerper van wetten moet optreden.

De Minister denkt wellicht — de geachte spreker oppert het vermoeden— dat er overdrijving plaats vindt in de gevoelens ten aanzien van den tegen woord igen toestand van ons lager onderwijs, en zoo de Minister dat denkt, dan denkt hij er wellicht bij, dat het goed kan zijn te wachten, ten einde die overdrijving door den tijd, door het wachten te doen vallen. Die gedachte, zoo ik ze koester, Mijne Heeren, zal mij geen dag weerhouden om het ontwerp van wet in te dienen. Ik erken echtcr, dat het mij niet ondienstig voorkomt dat de publieke

Sluiten