Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diaconie over het onderwerp tijd hebbe. Discussies in den beginne met hevigheid gevoerd, kunnen langzamerhand in scherpte verliezen en zoo zullen wij wellicht op een terrein worden gebracht waar dé verschillende vooroordeelen, de uiteenloopende stellingen of stelsels tot elkander beginnen te naderen. Zoo dit het gevolg mocht zijn van het eenigszins lang uitblijven van het ontwerp, dan zal ik er mij over verheugen, schoon het verwijl geenszins tot opzet had dat gevold te bereiken. & °

De geachte spreker heeft bij gelegenheid, dat hij gewaagde van liet antinationaal karakter van zoodanige godsdienstlooze scholen als de Minister dan hoogstwaarschijnlijk schenken zal, ja moet schenken in zijn ontwerp van wet, een zeer duidelijk blijk gegeven, met hoeveel talent de spreker - en ik ken dit sedert jaren - de meest heterogene elementen tot ondersteuning van zijne stelling weet bij te brengen en voor een oogenblik onder ééne banier hulptroepen weet te vereenigen uit de meest verschillende, ja vijandige kampen. Om te betoogen, dat die godsdienstlooze scholen antinationaal zijn, heeft de geachte spreker gezegd, dat bij ons niemand, zelfs niet de Gronin^che school, zelfs niet de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, dat godsdienstig karakter aan de scholen zou willen ontnemen. Nu meen ik toch, dat cr een verwonderlijke vrede zou zijn gesticht, indien dat godsdienstig karakter, hetgeen de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en die zoogenaamde Groninger school bevredigt, ook aan den gcachten voorsteller van het amendement voldeed.

De geachte spreker heeft gezegd: er is bij ons, inzonderheid onder de lagere standen, een toenemende weerzin tegen het tegenwoordig lager onderwijs. Ik betreur het, dat de geachte spreker gemeend heeft dit te mogen zeggen. Ik betreur het om tweederlei reden. Vooreerst omdat ik het voor ten eenen male onjuist houd, en in de tweede plaats' omdat men dergelijke stelling, al had zij meer grond dan daarvoor' naar mijn beste weten, bestaat, in deze Vergadering niet moest te voorschijn brengen. De stelling is volkomen onjuist; de weerzin bestaat inderdaad niet, en ik geloof dat ieder zich hiervan zal kunnen overtuigen, die den stand van het lager onderwijs over liet algemeen nagaat. Maar, Mijne Heeren, wat beklagenswaardig is, dat "zijn de

kunstgrepen, die op onderscheidene plaatsen door hen worden gebruikt

die vroom heeten en in wier oogen alle anderen het niet zijn om dé kinderen naar hunne scholen te trekken. Daardoor wordt in sommige bekrompen gemoederen een weerzin opgewekt, die geenszins ontstaan is uit eigen oordeel, uit eigene beweging, maar van buiten ingebracht Men tracht te doen gevoelen, dat het onderwijs, hetwelk in de openbare scholen gegeven wordt, geen deugdelijk, geen godsdienstig onderwijs is; dat het een onderwijs is, tengevolge waarvan de kinderen niet in den hemel zullen komen. Wanneer men nu op de gezindheid van zulke menschen het oog richt, door allerlei middelen in die stemming

Sluiten