Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duidelijk heeft uitgedrukt, dat die Bijlagen niet ineer zouden worden opgenomen in liet Bijblad, maar dat het publiek op eene andere wijze in het bezit daarvan zou kunnen komen.

Ik meen mij voor het oogenblik met dit antwoord op de gedane vragen te mogen vergenoegen.

Het feit, dat alle sprekers i» de vergadering van 7 Oetober waren tegen liet denkbeeld der commissie voor de stenograpliie, gaf, zoo oordeelden de heeren Storm van 's-Gravesande en Bachiene, voldoende de meening deiKamer weer.

De geachte rapporteur laat mij slechts over, een kort antwoord te geven aan den geachten spreker uit Utrecht. Ik heb slechts te antwoorden op de bedenking, door dien geachten spreker geopperd, of er niet bezuiniging zou kunnen verkregen worden, vooreerst door den gelijktijdigen afdruk van de stukken der Staten-Generaal voor de leden en voor het Bijblad, — in de tweede plaats door eene mindere soort van papier te nemen ten dienste van de Staten-Generaal dan thans gebezigd wordt, en wel het papier dat gebezigd wordt voor het Bijblad.

Wat het eerste punt betreft, ik meen dat het antwoord, na nauwkeurig onderzoek, gegeven is door uwe Commissie die het verslag heeft uitgebracht waarover in de zitting van 7 Oetober j.1. is gesproken. De Commissie heeft geoordeeld, dat door zoodanigen gelijktijdigen afdruk geene bezuiniging, die naam mag hebben, zou verkregen worden. Mocht men meenen, dat in dat onderzoek, door de Commissie ingesteld, nog eenige schakel ontbrak, ik ben gaarne bereid de deskundigen op nieuw te hooren.

In de tweede plaats oordeelt de geachte spreker, dat men zou kunnen bezuinigen door eene mindere soort van papier te nemen voor de stukken, die aan de leden worden rondgedeeld. Mijne Heeren, dit is een punt, dat ik mij voorbehoud te onderzoeken. Maar ik moet nu reeds dit antwoorden, dat men toch voor de stukken, die ten dienste van de leden der Staten-Generaal worden gedrukt, niet het slechtste papier mag nemen, niet zoodanig papier dat na weinig jaren, na eenig gebruik vergaan zou zijn. Goed papier is ook uit dien hoofde noodig, omdat het moet kunnen worden beschreven. Men kan zich ten aanzien van het Bijblad vergenoegen met slechter papier, met eene soort van papier gelijk voor de dagbladen gebruikt wordt, maar ik zou voorshands niet durven adviseeren eene gelijke soort van papier voor deze stukken te bezigen, die voor een zoo menigvuldig, voor een dagelijksch gebruik bestemd zijn, die ook moeten kunnen worden beschreven, en vatbaar moeten zijn om te worden bewaard. De Kamer is ten aanzien der keuze van het papier meesteres, maar ik durf voor het oogenblik niet beloven, dat het onderzoek, ingesteld tengevolge van deze bedenking, tot bezuiniging zal kunnen leiden. tiioubecke, Parlementaire redevoeringen, 1851—1852. 3

Sluiten