Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geachte spreker heeft inzonderheid van landbouwscholen gewaagd, en gemeend dat het ontwerp van wet betreffende dergelijke school was zoek geraakt. Ik heb die uitdrukking meermalen hooren gebruiken, dergelijke uitdrukking voor één geval gebruikt, pleegt men gaarne op een ander geval toe te passen; zij ontvalt een spreker wel eens buiten zijn wil. Ik moet echter opmerken, dat het ontwerp niet is zoek geraakt, het is in behandeling. Tot nu toe is door de Regeering op de bedenkingen, die het ontmoette, niet geantwoord alleen omdat men daarvoor nog geen tijd heeft kunnen vinden. Men leide er niet uit af, dat het ontwerp zal uitblijven, dat de geopperde bezwaren onoverkomelijk zijn. De Regeering zal de discussie over de bezwaren afwachten.

De geachte spreker heeft gezegd, dat de subsidiën voor bibliotheken niet grooter waren dan verleden jaar. Zoo hij verlangt dat die subsidiën hoog zijn, zoo hij daarin het kenmerk vindt dat het Bestuur de wetenschappen voorstaat, — hij moet mij dan veroorloven van hem te verschillen. Het komt niet aan op de hoogte van de som, maar op de wijze, waarop de som, die is toegestaan, wordt besteed. Hij die in de gelegenheid geweest is — gelijk ik die gehad heb — om de besturen van bibliotheken van vereenigingen of instellingen van hoogcr onderwijs van nabij te leeren kennen, zal, vertrouw ik, de hoogte van het cijfer der subsidiën geenszins als het kenmerk beschouwen van hetgeen al of niet voor die instellingen wordt gedaan.

Er zijn geene inspecteurs voor de scholen, heeft de geachte spreker verder gezegd. Ik heb daarop bij eene vorige gelegenheid geantwoord, en ik geloof tot dusverre, totdat ik word tegengesproken op eene afdoende wijze. Zoo men die inspecteurs voor de scholen, toen door de Commissie, waarvan de geachte spreker lid was, verlangd, morgen benoemde, ik geloof niet dat zij ons binnen één jaar een volledig verslag omtrent den staat der verschillende inrichtingen van onderwijs zouden kunnen leveren. De niet-benoeming van die inspecteurs getuigt, meen ik, geenszins tegen de vlijt van het Departement van Binnenlandsche Zaken, maar veeleer van beleid en beradenheid.

De geachte spreker kwam vervolgens tot de afdeeling Kunsten en Wetenschappen, en gewaagde van het Koninklijk Instituut; ook het geachte lid uit Tiel (de heer van Dam van Isselt) sprak er van. Er zal over liet Instituut, bij de beraadslaging over de nieuwe artikelen, die het gevolg waren van de opheffing, bij de afdeeling waarin ze voorkomen, nog wel meer worden gesproken. Ik zal hetgeen ik daarvan te zeggen heb en met uitstekend genoegen zeggen zal, bewaren tot dat anderen het hunne zullen hebben te berde gebracht, welke bij die gelegenheid den Minister van Binnenlandsche Zaken zullen aanvallen of hem misschien lof zullen toebrengen.

Wat de Academie van Beeldende Kunsten betreft, ik verwacht den geachten spreker op dit punt, wanneer men tot dat artikel zal zijn genaderd. Ik merk nu alleen op, dat hij, naar mij voorkomt, niet

Sluiten