Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belangen zou kunnen worden toegebracht, schadevergoeding te verlecnen. Dit beginsel is in onze wet niet opgenomen, en kan, geloof ik, in geene wet eene plaats vinden. Maar er is eene grens, tot waar men zich nadeel moet getroosten in het belang van publieke werken, en waar men aan den anderen kant de bijzondere belangen moet ontzien, tenzij schadeloosstelling worde gegeven.

'29 November. Kennis van de ambtenaren van den Waterstaat. De heer Schilfer komt op onderscheidene punten terug. Welke afbakening van den werkkring der ambtenaren van den Waterstaat is er dan wel? De dijkbesturen, zegt hij, worden niet despotiek geregeerd volgens zijn stelsel, hetwelk slechts daartoe leidt, dat de dijkbesturen ondergeschikt zullen zijn aan één opperbestuur. Rivierverbetering door parallelle werken of dooi- kribben ?

De geachte spreker uit Zwolle heeft gemeend eenige bedenkingen in het midden te moeten brengen ten aanzien van mijn antwoord, gisteren gegeven. Vooreerst ten aanzien van de kennis, welke de ambtenaren van den Waterstaat zouden hebben van de natuur van onzen bodem- Bij die gelegenheid opnieuw heb ik ontwaard, hoe licht eene uitdrukking aan misverstand is blootgesteld. Ik sprak gisteren van de vooroordeelen, waaraan die ambtenaren, uit hoofde van hunnen werkkring, uit hoofde van de belangen waarmede zij in aanraking en zelfs in botsing komen, blootstaan. Ik heb als voorbeeld bijgebracht, dat ik letteren uit Zeeland had gezien, waarin de ambtenaren van den Waterstaat van gemis van kennis der gronden worden beschuldigd. Hoe heeft de geachte spreker dat opgevat? Hij meende, dat ik aan de ambtenaren van den Waterstaat in het algemeen eene doorwrochte geologische kennis van onzen bodem toekende. De geachte spreker heeft zeer te recht opgemerkt, dat de bouwstoöen, om dergelijke kennis op te doen, tot dusverre noch voor die ambtenaren noch voor iemand bestaan. Maar ik had geenszins het oog op zoodanige algenieene kennis, maar op de kennis van bepaalde gronden, die van wege den werkkring van de ambtenaren van den Waterstaat, door hen moesten worden onderzocht en opgenomen. Menschen, welke die gronden alleen uit de verte hadden gezien, en nooit boringen of peilingen hadden laten doen, beweerden dat de ambtenaren van den Waterstaat de gronden niet kenden en dat zij het beter wisten. Ik heb dat bijgebracht als een voorbeeld van uiterst lichtvaardige beoordeeling.

De geachte spreker heeft geen algemeen verwijt van onkunde aan het personeel van den Wateïstaat willen doen. Ik was er verre af, te denken, dat hij dit, hetgeen niet in zijne woorden lag, bedoelde. Inderdaad, men zou nauwelijks eene grootere onrechtvaardigheid kunnen plegen. Die in staat is geweest de handelingen dier ambtenaren na te gaan, hun ijver, hunne trouw, hunne kunde te leeren

Sluiten