Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben. Hij heeft gevraagd: moesten de steden niet bijdragen? Vervolgens heeft de geachte afgevaardigde de aandacht gevestigd op de zeehavens aan de Zuiderzee, en zijn voorbeeld is gevolgd door den geachten afgevaardigde uit Gelderland. De eenige administratieve regel ten aanzien van het onderhoud van de havens bestaat, zooveel ik weet, in het besluit van December 1819. Daarin wordt gezegd, dat de havenwerken ten laste komen van de steden en plaatsen waar zij gelegen zijn, onder het genot der inkomsten, daaruit te percipieeren. Derhalve is de regel, dien de geachte spreker verlangde, gesteld. „Van dezen regel", zegt art. 9 van dat besluit, „worden uitgezonderd de militaire havens van het Nieuwe Diep, Hellevoetsluis, Medemblik en Vlissingen, mitsgaders alle zoodanige andere werken van meer algemeen belang, als wij nader zouden mogen aanwijzen." Ziedaar van den beginne af de maritieme havens aangeduid, als ten laste komende van de schatkist. Daarbij zijn langzamerhand andere gevoegd. Men betrachtte hierin niet zoo zeer het beginsel, in het tweede gedeelte van dit artikel als het leidend beginsel opgegeven door de woorden: „zoodanige andere werken van meer algemeen belang." Zoo men algemeen belang in den engsten zin opvat, in dien zin, dat er algemeen belang bestaat, wanneer het genot van eene haven, van een werk algemeen is, was het niet juist dit begrip, dat tot richtsnoer strekte aan de praktijk. De meeste havens, die men op de begrooting vindt uitgetrokken, zijn veeleer allengs bij wege van subsidie, dat in den beginne matig was, ten laste der schatkist gekomen. Een voorbeeld is de haven van Delfzijl, die, geloof ik, van een groot gewicht is, althans zoo men meer ziet op de toekomst dan op het tegenwoordige. Men heeft daar in den beginne, voor jaren, gezegd: wij kunnen de kosten niet dragen. Er is een subsidie toegestaan en langzamerhand is dat subsidie overgegaan in het geheele onderhoud van die haven. Hetzelfde is geschied ten aanzien van andere havens; inzonderheid ten aanzien van de havens aan de eilandjes van de Zuiderzee, en andere, waarvan de geachte spreker uit Groningen heeft gewaagd. Maar die geachte spreker heeft niet inzonderheid die havens op het oog gehad, maar meer de zeeweringen. Ik zal daarvan aanstonds spreken, nadat ik eerst zal hebben beantwoord hetgeen de geachte sprekers, die het belang hebben aangedrongen van de havens aan de Geldersche en Overijselsche kust van de Zuiderzee, daaromtrent hebben gezegd. Er is in het bijzonder sprake geweest van twee havens, van Elburg en Vollenhove. Ik weet niet, Mijne Heeren, dat de zaak der haven van Elburg, als ondersteuning behoevende van wege het Rijk, bij mijn departement ooit is aangebracht. Ik herinner mij alleen een aanzoek voor Harderwijk, en daaraan is ook subsidie verstrekt. Ten aanzien van Vollenhove is nu onlangs eene dergelijke aanvraag ingekomen. Het is mij voorloopig toegeschenen, dat van 's Rijks wege daaraan zal kunnen worden voldaan, onder voorwaarde dat ook de

Sluiten