Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitsluite en dat de slotsom niet zij: er is zooveel over het onderwijs gesproken, dat wij er niet meer van willen liooren. Ik moet dit wenschen èn voor het onderwerp èn voor mij. Ik voeg er een tweeden wensch bij. Ik heb in den loop der discussiën veel opgeteekend en letterlijk opgeteekend uit den mond der sprekers. Niettemin wensch ik, zóó ik nu zal spreken, niet te worden beoordeeld gelijk men te voren de rapporten, van wege de afdeelingen uitgebracht, pleegde te beoordeelen. Veel leden vroegen bij het ontvangen van het rapport: komt mijne meening in het verslag voor? Was het antwoord ontkennend , het verslag deugde niet. Zoo wensch ik ook dat nu mijne rede niet ongunstiger moge worden beoordeeld, wanneer, na zoo lange discussie, misschien niet ieder spreker zich individueel wecrvinde, zooals hij, en wellicht te recht, zou verlangen.

Ik begin met de laatste sprekers, in zooverre het te pas komt dat ik hen beantwoord, en dan meen ik te mogen samenvatten hetgeen ik heb hooren zeggen door de geachte sprekers uit Maastricht, uit Zevenaar, uit 's Hertogenbosch (de hoeren Borret, van Nispen van Sevenaer en Luijben), en een gezegde uit de rede van den geachten spreker uit Tiel (den heer Engelen). Hetgeen die geachte sprekers hebben gezegd, lost zich op in het verlangen, dat de wet tot regeling van het onderwijs spoedig worde ingediend, en ik erken te dien aanzien inzonderheid de duidelijke uitdrukking van den spreker uit Maastricht, die verlangd heeft de regeling van het openbaar onderwijs en van de vrijheid van het bijzonder onderwijs. Mijne Heeren, het incitare currentem is even nutteloos als onbillijk. Zoo de geachte spreker uit Tiel uit het nog niet voorstellen van de wet op het onderwijs heeft opgemaakt, dat ik tegen het onderwerp opzag, dan moet ik hem en zoo menigen anderen spreker verzoeken, het oog te willen slaan op de tnak van den Minister van Binnenlandsche Zaken. Op het onderwerp zelf, op hetgeen in die wet vervat zal zijn, zal ik in den loop mijner rede terugkomen. Maar ik wijs nu op de tnak van den Minister, en ik verzoek er wel op te letten, dat de taak niet gelijk over al de ministerieele schouders is verdeeld. Ik wil nu niet spreken van alle wetten, die men van mij wacht, omdat ik aan het hoofd van dit Departement sta. Maar ik zal die geachte leden verzoeken het oog te vestigen op de taak, die de Minister van Binnenlandsche Zaken met niemand deelt noch met iemand kan deelen, de uitvoering namelijk van de aangenomene wetten, van de kieswet, de provinciale en de gemeentewet; en niet alleen de eerste invoering van die wetter. — eene buitengewone en zware taak, schoon ze in stilte wordt verricht —, maar de uitvoering in het algemeen. En welke taak van wetgeving rust op den Minister van Binnenlandsche Zaken! Men heeft de wetten genoemd, waarvan het 5de additioneele artikel der Grondwet spreekt. Het is een klein perceeltje. Ik spreek, gelijk ik zeide, ook niet van de wetten, welke de Minister van Binnen-

Sluiten