Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt, huiten de orde redevoeringen te houden over beginselen, en hier een politieken cursus te openen, ik vraag: wanneer zoude de taak van deze Vergadering zijn volvoerd? De geachte spreker werpt 111 ij tegen: ook gij hebt het gedaan, toen gij geen Minister waart, toen gij lid waart van deze Vergadering. Ik ontken dit. Er zijn velen in deze Vergadering die mij te voren hebben gekend, gezeten op de banken der Vertegenwoordigers, en ik vraag hun, of ik ooit, of ik bij eene enkele gelegenheid, welk ook het belang was van de behandelde zaak, de mate overschreed van den tijd, dien elk hier recht heeft te vorderen, zoo hij wenscht te spreken. Ik vraag, of ik ooit in algemeene verhandelingen ben getreden, of ik ooit anders deed dan voet bij het onderwerp houden. Daarentegen vraag ik den geachten spreker: indien — ik zal nu niet zeggen ieder lid der Vergadering — maar de helft van de leden, dat van de Vergadering wilde vergen, wat hij vergt, zouden dan de werkzaamheden van deze Kamer ten einde worden gebracht? En zoo de Vergadering in zulk eene uitbundigheid mocht toegeven, ik geloof, Mijne Heeren, de Minister zou — zal het Gouvernement niet stilstaan — ten minste vrij moeten wezen de zittingen niet bij te wonen.

De vrijheid van discussie, heeft de geachte spreker gezegd, is benadeeld door hetgeen ik eenige dagen geleden heb gezegd: dat ik, bij het minste blijk van niet-overeenstemming tusschen de Kamer en mij, van deze tafel zou opstaan. De geachte spreker doet hier wat hij zoo dikwijls doet; hij rukt uit het verband. Hij wilde mij vrees aanjagen voor de Kamer; hij zeide, dat de Kamer mij begon te verlaten. Ik heb toen geantwoord, dat die poging, om mij vrees aan te jagen, volkomen ijdel was; dat er zeer weinig toe behoort, om mij deze plaats te doen verlaten. Hetgeen de geachte spreker nu heeft gezegd mist alle beteekenis, zoo hij mijne woorden in dat verband wil herstellen.

Nog eene opmerking, en ik heb voor het oogenblik niet meer te zeggen. De geachte spreker uit de residentie heeft zich beklaagd, dat ik hem laatstelijk niet zacht had geantwoord, niet zacht had behandeld. Ik meen toch inderdaad, Mijne Heeren, zachtheid van behandeling inzonderheid ook hierin te hebben getoond, dat ik honderdmalen harde en scherpe gezegden van hem zonder er op te antwoorden ben voorbijgegaan, harde gezegden tegen mij, tegen het Gouvernement. Behalve andere redenen, die mij zoo dikwerf tot zwijgen bewogen, deed mijne oude verbintenis met den geachten spreker mij menigmaal heenglijden over hetgeen tot eene scherpe uitdrukking aanleiding zou kunnen geven. Maar ik mag niet zwijgen, wanneer de geachte spreker aan het Gouvernement zegt, hetgeen hij heeft gezegd. De geachte spreker neemt kwalijk, dat men zich niet ontzien heeft hem te zeggen: de triomf van uwe partij zou de ondergang zijn van ons Land. Maar hij ontziet zich niet aan het Gouvernement, aan mij te

Sluiten