Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

w2 December. Art. 105. Reis-, verblijf- en verdere kosten der commissie tot het afnemen van examen van de jongelieden, die verlangen tot de akademische lessen te worden toegelaten, ƒ1,400.—. De uitgave werd, volgens den heer Van Goltstein, door het algemeen belang niet gevorderd.

Het is eene zware beschuldiging tegen den Minister, dat hij een cijfer, te eenen male nutteloos en in het geheel niet door het algemeen belang gevorderd, op de begrooting zou hebben gebracht; eene zware beschuldiging, hoe gering het cijfer zij. Die beschuldiging wordt nog harder, zoo men let op het onderwerp, waarop het hier aankomt. Het geldt hier het onderwijs, examina, af te nemen aan onze jongelingen, vóór dat zij tot de akademische lessen worden toegelaten. Ongaarne roep ik mij zei ven in; maar nu moet ik toch herinneren (men heeft mij wel een veteraan onder de strijders voor de vrijheid van onderwijs genoemd), dat ik in het examineeren een veteraan ben, en dat het licht zou kunnen gebeuren, dat ik gedurende het vierde van eene eeuw meer examina had afgenomen dan al de leden van deze Vergadering te zamen.

De geachte spreker uit Drente, wiens bijzondere heuschheid altoos, in den gewonen, zoowel als in den parlementairen omgang, aan den dag komt, heeft gezegd, dat hij deze uitgaaf nooit zou toestemmen. Nu hoop ik evenwel — ik wil niet zeggen, dat ik vertrouw — dat ook in dit geval zal blijken, dat discussie niet nutteloos is. Ik verwacht dat, wanneer de geachte spreker en het lid der Commissie van Rapporteurs, dat zich tegen de toelating van dezen post heeft verklaard , mijne redenen zullen gehoord hebben, die redenen eenigen indruk zullen maken. Hier inzonderheid geldt voor mij, van wege mijne oude betrekking tot dit onderwerp, het audiatur et altera pars.

Een denkbeeld, geopperd door den geachten spreker uit Drente, zal ik voor dit oogenblik ter zijde laten. Hij heeft gezegd, in het vervolg strenge examina van toelating te wenschen, ten einde de maatschappij worde gevrijwaard tegen eene overproductie, gelijk hij het noemde, van jxiris utriusque doctores, van doctoren in de geneeskunst en dergelijken. Ik meen, dat, zoo er gewaakt moet worden tegen te groote vermeerdering, dit geschieden moet door de strengheid van de eindexamina. Dit is evenwel een punt, dat bij de discussiën over de wet op het onderwijs aan nader overleg onderhevig zal zijn.

Ik begin mij geheel voor het stelsel te verklaren, dat de geachte spreker, lid der Commissie van Rapporteurs, aan het hoofd van zijn betoog stelde; geene uitgaaf mag worden goedgekeurd, dan die door het algemeen belang wordt gevorderd.

Ik kome tot de geschiedenis van het examen. Het besluit, waarbij het examen van toelating is ingesteld, werd genomen in 1845. Ik was toen in eene andere betrekking, die mij bijzonder in staat stelde, over de gevolgen van die instelling zeer veel te vernemen, en zelf

Sluiten