Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De andere geachte spreker uit Friesland (de heer Van Andringa de Kerapenaer) is teruggekomen op zijn bezwaar ten aanzien van de woningen van de commissarissen des Konings. Ik vraag er hem verschooning voor, dat ik zijn bezwaar niet juist had gevat. Ik heb nu begrepen dat hij niet opkomt tegen de bijzonderheden van de begrooting op dit punt, maar tegen het systeem. Dit is eene bedenking, die hij tegen de provinciale wet had moeten opperen, want daar is dat systeem aangenomen. De geachte spreker zou wenschen dat wij de verschillende provinciale gebouwen overnamen voor het Rijk. Ik voor mij zal er niet toe medewerken. Ik moet ook opmerken, - dat in Limburg de woning van den commissaris des Konings niet het eigendom van de provincie is, maar van de stad Maastricht. De provinciale wet heeft die uniformiteit, welke de geachte spreker verlangt, niet bedoeld. Die wet is juist gegrond op het verschil, dat de woningen van de commissarissen des Konings öf Rijksgebouwen zijn, öf gebouwen, voor zekeren prijs ter beschikking van de commissarissen door het Rijk gehuurd.

De geachte spreker verlangt in de tweede plaats eene opgave van al hetgeen door de dijkbesturen wordt uitgegeven tot beveiliging tegen het water. Gewis een zeer belangrijk deel der statistiek. Maar, Mijne Heeren, nu verlangt men toch van het Gouvernement te veel. Hetgeen de geachte spreker nu begeert, zou een deel moeten zijn van hetgeen later uitgewerkt zal worden door de op te richten provinciale bureaux van statistiek. De statistieke werkzaamheid bij het Departement van Rinnenlandsche Zaken is tot dusverre en voor nog een jaar of anderhalf jaar uitsluitend in beslag genomen door het opmaken van de uitkomsten der jongste volkstelling. Hetgeen de geachte spreker bedoelde, behoort tot de taak der provinciale bureaux, en die taak zal geregeld worden ook met opzicht tot dien tak van kennis, dien hij opgehelderd wenscht te zien.

De geachte spreker heeft gezegd: de Staat heeft er geen belang bij, te weten of men verhuisd zij. Dit wordt volkomen erkend. Maar de vraag is, of men de bevolkingregisters in orde kan houden, zonder van de verhuizingen onderricht te zijn. De inrichting dier registers is overigens eene vraag, uit te maken zooals ik reeds zeide, onder deskundigen, en bij dezen rangschik ik mij niet. De voorschriften, bij ons gegeven, zijn eene navolging van de elders in Frankrijk en in België aangenomen methode, die daar, zoover ik weet, met goeden uitslag is bekroond.

In de laatste plaats heeft de geachte afgevaardigde nog gemeend terug te moeten komen op de geologische kaart. Hij heeft niet veel crediet voor hetgeen bij ons onder den grond zou kunnen worden gevonden. Inderdaad, wanneer men gaat graven met het plan om kostbare metalen of andere mineralen te vinden, ik geloof, men zal zich bedriegen; maar niet indien men de opnemingen doet met het

Sluiten