Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kent geen enkele reden waarom niet op dezelfde eensgezindheid, als toen en in vroegere tijden betoond is, zou mogen worden staat' gemaakt, wanneer het er op mocht aankomen de onafhankelijkhekl, de instellingen, de welvaart van dit land te verdedigen. De geachte spreker heeft gezegd: „ja, wanneer wij bestookt werden door een roof leger, dan zouden wij wellicht onze inwendige oneenigheid vergeten." Ik wcnschte, de geachte spreker hadde dat woord niet gebruikt; ik ken den grond niet, die hem daartoe heeft geleid. Laat ons toch geene aanleiding geven, dat, hetzij bij de natie, hetzij buitenslands, het ongegrond vermoeden ontsta dat onder ons, dat in dit land oneenigheid is. Er kan bestaan verschil van denkwijze, maar oneenigheid , zoodanige oneenigheid, die zou moeten worden vergeten om de nationale krachten tot verdediging van de nationale onafhankelijkheid op te roepen, zoodanige oneenigheid, het Gouvernement is er van overtuigd, bestaat hier niet. Het is overtuigd, dat op dit oogenblik en in onzen toestand meer eenigheid bestaat, dan op zoovele andere tijdstippen van onze geschiedenis. De geachte spreker meende dat wij onze inwendige oneenigheid zouden vergeten, ons met kracht zouden verzetten, wanneer zich een roofleger op onze grenzen vertoonde, en liet er op volgen: „maar hoe, indien, bij de heerschappij der liberale theorieën, een bevrijdingsleger op onze grenzen verscheen?" Een leger, Mijne Heeren, om ons te bevrijden! Van wat? Wij gevoelen ons onder eene weldadige, populaire monarchie, in het bezit van eene vrijheid, grooter dan in ons land ooit is genoten, in het bezit van eene vrijheid die menig land ons mag benijden. En nu vraag ik, of eenig leger bij ons op eene goede ontvangst te rekenen had, hetgeen ons van die vrijheid, van die orde, van onze zelfstandigheid, van onze welvaart zou willen berooven? Met reden hecht de geachte spreker aan eene wel georganiseerde militaire macht; maar niemand vergete, dat de best georganiseerde militaire macht, zonder nationale medewerking, zonder nationale kracht — en ik geloof dat wij in het besef van nationale kracht zijn —, niet datgene vermag tot vrijwaring van het Land, hetgeen het Land behoeft. De geachte spreker, op de gebeurtenissen van 1830 wijzende, kan dit niet hebben vergeten.

Op een punt ben ik van zijn gevoelen. Hij heeft gezegd: laat ons niet rekenen op bondgenooten. Ik geloof niet, dat de gebeurtenissen buitenslands ons voor het oogenblik aanleiding behoeven te geven om iets anders te doen dan een open, een waakzaam oog te houden. Moest er meer gebeuren, of is het tijdstip om meer te doen, gekomen, ik geloof, wij mogen niet vergeten dat wij bondgenooten hunnen hebben. Wij moeten het onze doen om die aan ons te verbinden; maar tevens op eigen krachten vertrouwen en voor ons behoud opkomen, alsof zij, wier belang het is ons in den nood te helpen, ons konden ontbreken.

Sluiten