Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 Januari. Art. 2. Schriftelijk bewijs van den eigenaar of rechthebbende om diens grond of jacht- of vischwater te bejagen of te bevisschen. De bepaling niet toepasselijk op pachters of huurders, ten ware het jacht- of vischrecht bij de overeenkomst van pacht of huur zij voorbehouden. De heer v. Goltstein wenscht, dat alleen die pachters of huurders geene vergunning zullen behoeven, aan wie het jachtrecht bij de overeenkomst is toegekend. Behoort de jacht tot het genot van den verhuurden grond? Uitzondering op het beginsel ten opzichte van bestaande contracten.

Hetgeen ik ten gevolge van de discussie tot dusverre gevoerd, heb te antwoorden met betrekking tot art. 2 raakt de twee amendementen, daarop voorgesteld. Ten aanzien van de 2de alinea van art. 2 is de geachte spreker uit Eindhoven (de heer Van der Heyde) gisteren in een betoog getreden — een betoog, nu aangedrongen door den geachten spreker uit Utrecht — dat uit den aard der zaak het genot van de jacht en visscherij niet zou zijn begrepen in de overeenkomst van pacht of huur. De geachte spreker heeft zich beroepen op Fransche arresten, op de Fransche jurisprudentie. Ik geloof, dat men die Fransche arresten zou kunnen bestrijden met tegengestelde arresten, met arresten, in Frankrijk of te Brussel gewezen, die het recht van den huurder of van den pachter erkennen. In zooverre gaan die meeningen van de rechterlijke macht tegen elkander op. Maar ik moet eene tweede aanmerking maken, bij de beschouwing der Fransche jurisprudentie van groot gewicht. Waarop heeft men in Frankrijk, hetzij bij het uitspreken van die arresten, hetzij bij de discussiën van de rechtsgeleerden, inzonderheid, uitsluitend zelfs, het oog gehad? Op de bepalingen der wet van 1790; men heeft gevraagd, of naar die wet van 1790 te achten is, dat bij de overeenkomsten van pacht of huur door de eigenaars afstand zou zijn gedaan van het genot van jacht en visscherij aan de pachters of huurders. Nooit is daarbij, zooveel als ik het heb kunnen nagaan, het begrip van pacht of huur op zich zelf ten gronde gelegd, maar men heeft de beslissing uitsluitend aan do jachtwet, de wet van 1790, ontleend. Krachtens die wet, die zegt, dat niemand jagen kan op den grond van een ander, dan met toestemming van den eigenaar, hebben zij, die de meening voorstaan, welke door den geachten spreker is verdedigd, geoordeeld dat de huurder of pachter niet in het genot is van de jacht en visscherij. Wij nu hebben bij de behandeling der vraag niet te doen met de wet van 1790; wij hebben te doen met het begrip van pacht, van huur. Nu vraag ik, wat zegt het wetboek ten aanzien van de rechten, van het genot, aan pacht of huur verbonden? De geachte spreker heeft zich beroepen op het artikel van het Burgerlijk Wetboek, waarbij gezegd wordt, dat de vruchtgebruiker ook het genot heeft van de jacht en van de visscherij, en hij voegde er bij qui de uno dicit, de altero negat. Tegen dit betoog beroep ik mij op den geachten

Sluiten