Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelden volgens de meening en de gebruiken, waarin of waarnaar zij zijn gesloten."

Ik vereenig mij dus met het amendement van den geachten spreker, en heb alleen bedenking ten aanzien van de plaats en de redactie.

Ik zal gaarne op het bureau van den Voorzitter dat amendement ter voorlezing laten nederleggen, maar ik moet doen opmerken, dat, indien het amendement wierd geoordeeld, niet volkomen te voldoen, het dan daar, waar het naar mijn voorstel zou worden geplaatst, te pas zou kunnen komen, de redactie te veranderen. Op dit oogenblik komt het, meen ik, alleen aan op de vraag, of men hier zoodanige reserve zal invoegen, dan of die zal worden gesteld aan het einde der wet.

De lieer v. Goltstein bepleit zijn amendement. De lieer De Man meent, dat het voorgestelde nieuwe artikel 54 óf inbreuk maakt op verkregen rechten, öf overbodig is. Is het jachtrecht niet tadte in de huurovereenkomst begrepen, dan is het ook onnoodig voor te schrijven, dat liet in vroeger gesloten overeenkomsten niet is vervat. Is daarentegen het jachtrecht wel begrepen in het pachtcontract, zoo zal het artikel de pachters van hun recht ontzetten.

De geachte spreker, die het laatst het woord heeft gevoerd, is geeindigd met een zeer fijn juridisch argument, dat mij evenwel voorkomt al te fijn te snijden en daardoor voorbij de vraag te gaan. Hij heeft gezegd: één van beide is waar; thans is, ten gevolge van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om te jagen en te visschcn 1 tegrepen in hetgeen wordt overgedragen bij het huur- of pachtcontract, of die bevoegdheid is er niet in begrepen; men zal, wanneer zij er in begrepen mocht zijn, door de aanneming van een amendement, als door den geachten spreker uit Arnhem is voorgesteld, de tegenwoordige pachters of huurders van een recht, dat hun toch toekomt volgens het Burgerlijk Wetboek, ontzetten. Ik stel er dit tegenover. De contracten worden uitgelegd te goeder trouw. Nu is de vraag: in welken zin, in welke meening is het contract gesloten? Was het tot dusver in den regel de wil, de meening van beide contractanten, dat het genot der jacht en visscherij voorbehouden bleef aan den eigenaar, aan den verhuurder, dan zullen door dit amendement de pachters of huurders van niets, dat hun rechtens toekomt, worden ontzet. De contracten blijven gelden in den zin van hen, die ze sloten en die wil is in de meeste gevallen, vooral op dit punt, niet twijfelachtig. Waar de contracten zijn gesloten met de werking, dat de huurder in het genot van jacht of visscherij treden, daar zal hij dat genot zonder tegenspraak hebben. Is er in dien geest gehandeld, er wordt daaraan in niets te kort gedaan, wanneer die geest door deze bijvoeging in de wet uitdrukkelijk wordt gehandhaafd.

Sluiten