Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daad zal blijven. Dit zou, zoo ik mij niet bedrieg, het gevolg zijn van zoodanig amendement als de geachte spreker uit Utrecht zou willen. Daarom stelde ik mij voor, gelijk ik nog doe, bij het artikel, aan het slot van de wet in te lasschen en dat in de eerste plaats zou behelzen hetgeen ik zooeven de eer had voor te lezen, dit te voegen: „De beklemde meijer evenwel, wiens overeenkomst vóór de afkondiging dezer wet was gesloten, en ten opzichte van het jacht- of vischrecht niets bepaalt, kan zich het genot daarvan, voor den duur der overeenkomst, bij afkoop verschaffen op de wijze bij art. 3 beschreven." Aldus zal men ook het jacht- en vischrecht in de provincie Groningen onder de heerschappij dezer wet brengen.

Het artikel is, zeide men, bezwaarlijk voor eigenaars van uiterwaarden, die op hunnen grond wenschen te .jagen: men zal de grenzen niet juist kunnen weten. Art. 577 en 579 13. W. in verband met het derde lid van art. 2 van het ontwerp. Waartoe een „schriftelijk" bewijs? Was het belang der schatkist int het oog verloren? Jachtrecht op de marken. Nadere aandrang tot aanneming van het amendement van den heer Van Goltstein.

Ik wenschte wel, dat mij gelukte bij hetgeen ik nu nog te zeggen heb, bijzonder helder te zijn, daar het aankomt op zoo menig ge\\i< htig punt, en uiteen te houden de zeer onderscheidene tegen werpingen en bedenkingen, om de gronden die vóór of tegen elke bedenking pleiten wel te doen gelden. Ik zal eerst antwoorden op de vragen van de heeren Van Dam en Van Nispen; danrna samenvatten de vertoogen van den geachten spreker uit Eindhoven (den heer Van der Heijde), van den heer Van Heiden Reinestein, lid der Commissie van Rapporteurs, en van den heer Sloet; vertoogen die meest op dezelfde hoofdpunten nederkomen. Ik zal vervolgens het woord richten tot den geachten spreker uit Nijmegen, en aan de Vergadering onderwerpen hetgeen ik te zeggen heb over de rede van den geachten spreker uit Zutfen. Ik zal dan met een enkel woord gewagen van het amendement van den spreker uit Utrecht, en eindelijk zelf eene kleine wijziging in dit artikel voorstellen.

De geachte spreker uit Gelderland (de heer Van Dam van Isselt) heeft gevraagd, hoe zal het gaan met het genot van het jachtrecht van de eigenaren van uiterwaarden. Hij zeide, de oevers, waarvan art. 578 \ an het Burgerlijk Wetboek spreekt, waren tot dusverre publiek jachtveld, nu zal men de vergunning van het Gouvernement behoeven. Ik geloof inderdaad, dat die vergunning volstrekt noodig is, maar men kan in het verleenen daarvan, in die bijzondere omstandigheden, gemakkelijk zijn. Ik zie er geen bezwaar in, dat die eigenaren van uiterwaarden of eene reeks dier eigenaren wanneer hunne eigendommen nevens elkander gelegen zijn en aan den oever palen,"die aan den Staat behoort, gezamenlijk eene zoodanige vergunning vragen.

Sluiten