Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en niet kan worden weggenomen: verplichting tot registratie ingeval er geprocedeerd wordt.

Wat de vrijstelling van zegel betreft, ik heb gaarne in de wet voorgesteld, hetgeen de Commissie van Rapporteurs daaromtrent vroeg, om tegen allen fiscalen uitleg, zooals men zegt, te vrijwaren. Ik ben er zoo zeker niet van, dat de uitleg van den geachten spreker altijd de uitleg van het bestuur zal zijn.

Nader:

Ik wil den geachten spreker uit Tiel niet betwisten, dat de woorden: „wordt gratis geregistreerd" op zich zelve, absoluut genomen, tot een misverstand kunnen leiden. In de taal der wet is worden — moet worden. Let men nu niet op de registratie wet, dan kan men tot dergelijke opvatting komen als hij vreest. Het nadeel daarvan schijnt mij veel grooter toe, dan het nadeel verknocht aan de redactie, gelijk zij bestond in het gewijzigd ontwerp van wet. Wat zal moeten geschieden, wanneer die vergunningen in rechten moeten dienen, daarvoor zal door het rechterlijk gezag wel worden zorg gedragen. Ik zal op die angstwekkende verandering van redactie terugkomen en het opstel laten zooals het in het gewijzigd wetsontwerp luidt.

31 Januari. Art. 3. Afkoopbaarheid van het jacht- en vischreeht.

„Het jacht- en vischreeht", stond in het eerste lid van het artikel, „dat derden „op gronden of in wateren van anderen hebben, kan door dezen worden „afgekocht, al ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen." De bepaling was, beweerde men, in strijd met art. 147 der grondwet. De rechten van derden waren toch ook eigendomsrechten, welke alleen door eene onteigening ten algemeenen nutte na voorafgaande schadeloosstelling aan den eigenaar konden ontnomen worden. Men had moeten onderscheid maken tusschen het jachten vischreeht, dat heerlijk recht was, en dat hetwelk was verkregen op civiel-rechtelijke wijze; alleen op liet eerste zoude dan het artikel, krachtens de bevoegdheid in artikel 4 der additioneele bepalingen van de giondwet gegeven, van toepassing moeten wezen. Was het onderscheid houdbaar?

Anderen daarentegen meenden, dat de bepaling streed met art. 4 der additioneele bepalingen. Volgens dat artikel behoorde, zoo betoogden zij, de wet de opheffing van het heerlijk jachtrecht uit te spreken, terwijl zij de regelen gaf waarnaar de schadeloosstelling zoude worden berekend. Een amendement van den heer Mackay gaf uitdrukking aan deze meening.

Is het de bedoeling, vroeg de heer Ypeij, ook het jacht- en vischreeht, door huur of jacht verkregen, afkoopbaar te stellen?

Ik antwoord in de eerste plaats op de vraag van den geachten spreker uit Leeuwarden (den heer Ypeij), vermits zijne bedenking niet in onmiddellijk verband staat met zoo menige andere, door andere sprekers ten aanzien van dit artikel geopperd. Hij heeft ge-

Sluiten