Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vraagd: bedoelt het ontwerp bij de afkoopbare rechten, die derden hebben op gronden of in wateren van anderen, ook de rechten, die gehuurd of gepacht zijn? Neen. Ik ben geheel niet verdacht geweest op die bedenking, en ik meen ook nu nog, dat niet licht iemand zal gelooven, dat zoodanige rechten in het artikel onder de afkoopbare zijn gerangschikt. Ja, men kan ten aanzien van den huurder of pachter zeggen: hij heeft een recht; het is inderdaad het genot van een recht, dat behoort aan den eigenaar, maar welk genot is overgedragen op den huurder of pachter. Het schijnt dus niet noodig de woorden in te lasschen die de geachte spreker zou wenschen ingelascht te zien om dat misverstand te voorkomen. Het misverstand is niet waarschijnlijk. Er wordt hier van jacht- of vischrecht als van een zelfstandig recht gesproken, en het genot van jacht of visscherij, dat men heeft uit huur of pacht, kan zoodanig recht, dunkt mij, niet worden genoemd.

Wat de andere bedenkingen betreft, zoo ik wel zie, zal deze orde meest duidelijk zijn: eerst te spreken van die welke tegen de afkoopbaarheid of tegen de bevoegdheid van den wetgever om de afkoopbaarheid te stellen, zijn ingebracht, en dan de wijze te behandelen, waarop de afkoopbaarheid hier wordt voorgesteld, vergeleken met dié welke men er voor in de plaats zou willen brengen.

1°. De afkoopbaarheid zelve van het jacht- of vischrecht, dat iemand heeft op de gronden of in de wateren van een ander. Hier stuit ik op tweeërlei bedenking. Tegen het recht van den wetgever om die afkoopbaarheid te bepalen, is geen bezwaar bij de geachte voorstellers van het amendement, dat gisteren werd voorgedragen. Integendeel, zij nemen de bevoegdheid van den wetgever aan. Zij nemen zelfs meer aan dan in dit ontwerp wordt aangenomen; zij stellen, zooals ook geschiedt bij het nieuwe amendement, zooeven voorgelezen, dat de afkoop kan worden opgedrongen. Maar de bevoegdheid van den wetgever tot het afkoopbaar stellen van alle rechten waarvan hier sprake is, hetzij heerlijke hetzij andere rechten, is in de eerste plaats bestreden door den geachten spreker uit Nijmegen (den heer Van Lynden). Men heeft, zeide hij, hier te doen met een recht van eigendom, en van een recht van eigendom, hetzij het een heerlijk hetzij het een ander recht is, kan men niet worden ontzet dan op de wijze, voorgeschreven bij art. 147 der Grondwet. Het Burgerlijk Wetboek zelf' heeft die rechten voorbehouden in art. 641; zoodat de wet van 1841, bestemd om door deze te worden ingetrokken, met art. 641 van het Burgerlijk Wetboek niet in strijd is. Het betoog van den geachten spreker omvat heerlijk jacht- en vischrecht, en alle andere jacht- of vischrechten die iemand op den grond van een ander heeft. Wat de heerlijke rechten betreft, meen ik hem te kunnen bestrijden met het zoo menigmaal aangehaalde 4de der additioneele artikelen van de Grondwet. Het zegt: „do opheffing der overige heerlijke rechten en de schadeloosstelling

12*

Sluiten