Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene tweede hoofdbedenking raakt de overeenkomst of den strijd van dit artikel met het 4de additioneele artikel van de Grondwet. Dat dit artikel zou strijden met de bepaling van de Grondwet, is aangedrongen door den geachten spreker uit Utrecht, inzonderheid ook door den geachten voorsteller van het amendement zoo even voorgelezen. De Grondwet, zeide men, verordent, dat de opheffing van de overige heerlijke rechten bij de wet worde vastgesteld en geregeld; deze wet, beproevende hetgeen nu bij art. 3 wordt beproefd, zou dus moeten beginnen met opheffing. Dit is dan ook de strekking van het amendement dat gisteren voorkwam, en van het amendement dat nu in beraadslaging is gebracht. Men wil opheffing, maar gebiedt de Grondwet dat? Zegt zij, dat iedere wet, welke eene verandering wil brengen in die overige heerlijke rechten, moet beginnen met" die rechten algemeen op te heften? Mij dunkt, de Grondwet zegt dat niet. Ik lees in art. 4 der additioneele artikelen van de Grondwet: „De opheffing der overige heerlijke rechten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld". Laat die bepaling mij niet vrij bij de wet te stellen, dat de opheffing kan geschieden volgens den wil van hen welke er het meest belang bij hebben ? Mij dunkt ja. De Grondwet verplicht den wetgever niet te zeggen, dat met éénen slag alle die rechten zullen zijn opgeheven.' Het zou een besluit zijn dat te ver gaat met betrekking tot het 4de additioneele artikel, en ook, meen ik, met betrekking tot de zaak En hiermede beantwoord ik inzonderheid ook den geachten spreker uit Zeeland (den heer Slicher van Domburg), het lid der Commissie van Rapporteurs, die van de tienden heeft gesproken. Gesteld eens het ware noodig, dat men in het belang van den landbouw bij de wet de opheffing van alle tienden met ééne pennestreek bepaalde, bestaat dan diezelfde noodzakelijkheid voor eene gelijke wijze van opheffing van liet jacht- en vischrecht op den grond van een ander? Ik geloof niet dat iemand dit zal beweren. In allen gevalle is de wetgever hier vry\ Meent hij, dat het algemeen belang de opheffing van deze rechten op eens gebiedt, hij zal liet kunnen doen. Maar meent hij dat die opheffing geleidelijk zal kunnen gebeuren, op het eene stuk grond of water na liet andere, naar het welbehagen van hem die er inzonderheid bij is betrokken, de wetgever zal dan aan deze wijze van opheffing de voorkeur geven.

De geachte voorsteller van het amendement en de spreker uit Utrecht .lebben — zoo ik mij wèl herinner — gezegd, dat hetgeen hier bij art. 3 wordt beproefd, ook uit dien hoofde niet voldoet aan het 4de additioneele artikel der Grondwet, omdat de schadeloosstelling niet wordt geregeld. Ik vraag vooreerst, of art. 3 voor alle tijden het maken van zoodanige speciale wet uitsluit, als de geachte spreker uit Utrecht zou verlangen, en nu door het amendement van den geachten spreker uit de residentie (den heer Mackay) in dit ontwerp

Sluiten