Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opperd door eenig lid der Kamer, maar voorgedragen in een rekest aan deze Vergadering ingediend en waarover in de vorige zitting verslag is uitgebracht. Ik bedoel het verzoekschrift van den heer Van der Trappen en eenige andere eigenaren, verzoekende dat van de jacht van Naaldwijk hier geen gewag worde gemaakt, omdat dit gewag maken van de jacht onder Naaldwijk, hunne rechten van landeigenaren zou schaden. Zij beweren tevens zich dikwerf bij den opperhoutvester te hebben geadresseerd om recht te verkrijgen, maar geen antwoord te hebben ontvangen. Ik bepaal mij nu tot het laatste punt. Ik heb laten nagaan, wat van den heer Van der Trappen of van andere eigenaren onder Naaldwijk, in vroegeren tijd bij mijn Departement is ingekomen, en gevonden, dat er van dien heer eenige adressen zijn, op twee punten nederkomende: vooreerst wordt daarbij ontkend, dat er heerlijk jachtrecht over Naaldwijk zou zijn; en ten tweede worden daarbij van de Opperhoutvesterij gevraagd de bewijzen, waarop dit heerlijk dominiaal jachtrecht van Naaldwijk is gegrond.

Het eerste punt wordt op deze wijze betoogd: de rekestrant zegt, dat in vroeger tijd, ook onder de Republiek, geen ander jachtrecht van den vorst of graaf heeft bestaan dan op de eigen domeinen. Hij ontkent dus alle heerlijk jachtrecht; alle jachtrecht is volgens hem allodiaal, en daaruit trekt hij het natuurlijk, het noodzakelijk gevolg, dat, dewijl het domein op dit oogenblik geene bezittingen meer heeft onder Naaldwijk, daar ook geen ander jachtrecht kan zijn dan van de eigenaren.

In de tweede plaats heeft de heer Van der Trappen overlegging gevraagd van de bewijzen van dat domaniaal jachtrecht op de gronden, onder Naaldwijk gelegen. Men is daarop het antwoord niet schuldig gebleven; men heeft gezegd dat men die bewijzen niet kon overleggen, hij moest die elders vragen; hij kon zich, om die gronden te weten, vervoegen bij den Minister van Financiën; hij kon bij den rechter zijn recht vragen, zoo hij belemmerd wierd in de uitoefening van zijn eigendomsrecht; hij kon, zoo hij goeddacht, de vrijheid van zijn landeigendom voor de rechtbank eischen. Zietdaar de correspondentie met den heer Van der Trappen, die nu aan het hoofd staat van hen, die het verzoekschrift, waarop verleden Zaterdag is gerapporteerd , aan de Kamer hebben ingediend.

Welke is nu de staat van zaken ten aanzien van Naaldwijk? Onder Naaldwijk bezit het domein geen grond meer; maar daar is een domaniaal heerlijk jachtrecht. Dit wordt ontkend door den heer Van der Trappen, en door degenen die met hem het verzoekschrift hebben geteekend. Dat het ontkend wordt, komt mij niet vreemd voor, wanneer die heeren in de theoretische leer van den heer Van der Trappen zijn, dat hier te lande geen heerlijk jachtrecht bestaat. Is dit zoo, dan kan het ook onder Naaldwijk niet bestaan. Maar gesteld dat men niet aanstonds in die leer treedt, dan moet die bewering bevreemden,

Sluiten