Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ait. li. J'iijs der jachtacte. Amendement der commissie van rapporteurs achter liet artikel te voegen:

„Voor de uitoefening der kleine jachtbedrijven, in art. 15 sub i en k verhield, op eigen grond of op dien van anderen met vergunning van den „eigenaar, wordt geene acte vereischt. Het blijft aan den Commissaris des „Konings in de provincie voorbehouden, aan kennelijk onvermogenden, ter „zake der uitoefening van de vissclierij met één vischtuig, kosteloos ver„gunniug te verleenen, mits van het onvermogen voldoende blijke en door „de belanghebbenden de schriftelijke toestemming der eigenaren worde overgelegd, waarvan in de vergunning melding wordt gemaakt."

Amendementen van de heeren Ypeij, Van Dam v. Isselt en Taets v. Amerongen.

Ik zal trachten de menigvuldige bedenkingen en amendementen, waartoe art. 6 aanleiding heeft gegeven, uiteen te houden. Ik zal in de eerste plaats te gemoet komen aan de bedenkingen, door den afgevaardigde uit Gouda (den heer Van der Linden) bij de algemeene discussie in het midden gebracht over den maatstaf voor den prijs der jachtacten; in de tweede plaats antwoorden op hetgeen ter zake van hetzelfde tarief door het geachte lid der Commissie (den heer Mackay) is gezegd; dan tot de amendementen komen: eerst tot dat van de Commissie van Rapporteurs, vervolgens tot de andere, hetzij op dat amendement, hetzij op het artikel, buiten de gedeelten die door dat amendement worden aangeraakt, voorgesteld.

De geachte afgevaardigde uit Gouda heeft bij de algemeene beraadslaging gezegd, dat bij de wet geen maatstaf, of althans geen juiste maatstaf, voor den prijs der jachtacten was aangenomen; dat nu iemand die honderd bunders bejaagt evenveel zal betalen als een ander die eene jachtacte behoeft om één bunder te bejagen. Het scheen hem billijk, dat men den prijs van do vergunning naar de mate van het te bejagen terrein afmat. De geachte spreker heeft ook gezegd, dat het niet juist was, deze bijdrage uitsluitend van de jagers te vragen; de bijdrage moest worden gevraagd van de grondeigenaren, want het toezicht ware inzonderheid in het belang van deze. Het laatste punt durf ik niet toegeven. Het doel van het toezicht over de jacht is vooreerst het behoud van den wildstand, het oog te houden op alle zoodanige bedrijven van jacht, of met de jacht samenhangende, die aan de wildbaan zouden kunnen schaden; voorts daarop dat de jacht uitgeoefend worde op de wijze zooals de wet veroorlooft. Nu schijnt het billijk, dat, wanneer eene belasting moet worden opgelegd om de kosten van dat toezicht te dekken, diegenen de belasting dragen, die vooral genot hebben van dat bedrijf waarover het toezicht wordt uitgeoefend; en dat inzonderheid de jagers daarvan genot hebben, schijnt niet twijfelachtig.

De maatstaf, zegt de geachte spreker, deugt niet; hij die een grooter terrein bejaagt moet meer betalen, de eigenaar van honderd bunders meer dan die van één bunder. Mijne Heeren, ik geloof niet, dat de

Sluiten