Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijving van hetgeen er onder moet worden verstaan in onze wetgeving voorkomt. Ten andere, het amendement zegt nu: „inwonende zonen of bedienden". Maar het gevolg van zoodanige bepaling zal toch altoos zijn, dat ééne zelfde vischacte zal kunnen dienen voor de zelfstandige uitoefening der visscherij door eene meerderheid van personen. Rn dit, dunkt mij, is strijdig met het beginsel der wet. Beschouwt men de vischacte als patent - en dit zou men met meer recht kunnen doen, nadat in het gewijzigd amendement der Commissie nu van visschers van beroep wordt gesproken — dan vraag ik: ir et aannemelijk, dat op een zelfde patent onderscheidene personen dat beroep zelfstandig uitoefenen? Volgens het ontwerp kan de houder der vischacte zich laten bijstaan door wien hij goedvindt, door zooveel en zoo weinig personen als hij verkiest, bij hem inwonende of niet inwonende. Maar nu nog op die vischacte anderen, even zelfstandig als hij die de acte neemt, het bedrijf te laten uitoefenen, het komt mij met juist voor. Men zegt, de visscher die des avonds zijne netten heeft uitgezet, zal, zoo hij des anderen daags niet zelf die netten kan gaan nazien, zijne vangst hebben verloren. Maar dat is een ongeluk, eene ramp, zooals ieder kan overkomen die eenigen tak van bedrijf uitoefent. Het is hier, gelijk elders; de winst ontvalt, waar men verhinderd wordt,"zijn bedrijf uit te oefenen; de tijd, gedurende welken men wordt belet, is verloren. Wil men geene volstrekte anomalie, men zal moeten vorderen, dat ook de inwonende zoon, die zelfstandig de visscherij wil uitoefenen, eene vischacte neme. De kosten voor dat visschersgezin zullen dan in plaats van ƒ 5, ƒ 10 zijn. Het bezwaar zal dus met zoo groot wezen. Ik wijs nog op de bijzondere moeilijkheid van het toezicht, die het gevolg zou zijn van de aanneming van het amendement. Men zal, voorzien van de vischacte van een ander, kunnen zeggen: Ik ben inwonende zoon of bediende van den houder en nu zal de ambtenaar altijd onderzoek moeten gaan doen. Ik meen

us, a er a e reden bestaat, om mij tegen het amendement der Commissie te verklaren.

Wat betreft het amendement van den geachten spreker uit Eindïoven (den heer Van der Heijde), ik zie geene genoegzame reden

VTr.j!e aan°ernln» van clit amendement. De vijvers, waarvan in art. ob3 van het Burgerlijk Wetboek wordt gesproken, kunnen gelegen zijn binnen de besloten plaatsen, in Kt. b van dit artikel bedoeld en dan zal men daarm vrij kunnen visschen. Nu te zeggen: „en van vijvers in welke de visschen bij art. 563 Burgerlijk Wetboek verklaard zijn door bestemming onder de onroerende goederen te zijn begrepen" alsof zij geheel niet waren betrokken in lit. b, dit gaat niet aan. Ten andere, welke reden bestaat er, om hen vrij te stellen van het nemen van eene acte, die visch vijvers bezitten, waarin de visch wordt gepoot

vi;ieVaT', bestaat eene reden om ^ vrij te stellen zoo die ln beeloten Plaatsen zijn gelegen. Maar zoo dit het geval niet

Sluiten