Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders gelegen; de topographisclie gesteldheid verschilt daar te veel van de onze.

Maar de hoofdvraag is deze: is het houden van klopjachten bij deze wet geoorloofd? Ik zeg neen. Het kan niet geoorloofd zijn, dan ten gevolge van een bijzonder verlof. In dien zin is ook het antwoord van de Regeering gesteld, te vinden in het verslag. Aldaar staat: „Tot het houden van klopjachten kan, volgens het ontwerp, kostclooze vergunning worden verkregen; doch eene onbeperkte vrijstelling van dit wild vernielend jachtbedrijf zoude, ook bij opheffing van het publiek jachtveld, zeer nadeelig zijn voor de instandhouding van het wild.'' Het blijkt dus ten duidelijkste, dat de Regeering het er voor houdt — zooals ieder zal doen, die deze wet wel uitlegt — dat dit jachtbedrijf niet onder de geoorloofde is begrepen.

Ten slotte nog eene opmerking met betrekking tot het verschil, dat er volgens het geachte lid der Commissie zou bestaan tusschen den toestand onder de wet van 1814, en dien waarin men zal zijn onder deze wet. Tot dusver, zeide hij, had men publiek jachtveld en het was dus noodig het houden van klopjachten te verbieden. Maar mij dunkt de noodzakelijkheid daartoe zal onder deze wet ook bestaan, ja dringender zijn. Wanneer men klopjachten veroorloofde, wat zou daarvan het gevolg wezen? Dat jagers, die vergunning hadden ontvangen om op gronden van anderen te jagen, op die gronden klopjachten zouden kunnen houden als gewoon jachtbedrijf. Derhalve, een der beginselen van deze wet, bescherming van den eigendom, zal nu, meer nog dan tot dusverre het stelsel der wet van 1814 ten aanzien van het publiek jachtveld, vorderen, dat zoodanig bedrijt worde verboden en niet dan onder bijzondere omstandigheden en in enkele gevallen ingewilligd.

Zal de commissaris vergunning kuunen geven tot liet houden van eene klopjacht op eens anders terrein? De heer Van Dain van isselt stelt voor het houden van eene klopjacht te verbieden.

Ten aanzien van de vraag, door den geachten voorsteller van het amendement in het begin zijner rede gedaan, moet ik het antwoord geven, dat hij wel zal hebben verwacht. De Commissaris des Konings kan geen inbreuk maken op het beginsel en de regelen van de wet. Hij zal dus geen verlof kunnen geven tot het houden van eene klopjacht op den grond van hem die dat niet zou willen.

Wat het amendement zelf betreft, ik zie geene bijzondere reden, om het tegen te spreken. Mocht het houden van eene klopjacht noodig zijn, daarin zal, ten gevolge van een later artikel, door den Minister van Binnenlandsche Zaken kunnen worden voorzien.

Het amendement van den heer v. Dam v. Isselt wordt met 30 tegen 28 stemmen verworpen.

Sluiten